Wat er met mij gebeurde in een kelder in Chili

Santiago de Chile, maart 1992

 

Mijn KLM-collega’s en ik rijden in een huurbus langs de kust van Chili. We eten oesters die de vissers voor ons uit zee halen, we drinken merkloos bier in hangmatten op veranda’s aan het strand. En in de bus zingen we smartlappen en ruzieën we, alsof we elkaar al veel langer dan drie dagen kennen.

Op de laatste avond eten we in een restaurant in Santiago de Chile.

Het restaurant lijkt op de woonkamer van een middelbaar echtpaar uit de jaren ‘70. De oranje-gele vloerbedekking is versleten door de tijd en door de voeten van bezoekers. De zwoele temperatuur en de exotische etensluchten maken de lucht bedompt en de staande lampen met rozige, verschoten lampenkappen verlichten de gele muren.

Van wat er zich op dat moment in de kelder afspeelt, heb ik nog geen idee.

De drankflessen stapelen zich op op de lange tafel en het toetje is, net als de rest van de maaltijd, goddelijk en lauw. Wat er na het toetje gebeurt weet ik niet meer, ik vermoed dat de drankflessen daar een rol in spelen. Wel herinner ik me de plotselinge opgewonden sfeer in ons groepje en dat we een trap afdalen. Een steile smalle trap, ergens achterin de keuken.

Onderaan is een zware, donkere deur en als die openzwaait, ben ik op slag nuchter. Het lijkt alsof ik in een Harry Pottter-film stap. De ruimte onder het restaurant is veel groter dan de oppervlakte van het gebouw erboven doet vermoeden: het is letterlijk een balzaal. Er is een parketvloer en salsamuziek en discoballen en heel veel dansende en zwetende mensen.

Terwijl we daar staan stopt, als bij toverslag, de muziek. Iedereen kijkt naar mij.

(Echt waar).

Er stappen mensen naar de zijkant van de ruimte en ze vormen een haag voor me. Een soort erehaag (ik maak echt geen grapje).

Aan het einde van de haag staat een man van een jaar of veertig. Hij draagt een zwarte broek en een wit overhemd met losse bovenknoopjes, waardoor zijn krullende zwarte borsthaar te zien is. Ik weet meteen dat hij de beste danser van deze salsaschool is. En hij steekt zijn hand uit.

Naar. Mij.

In een soort trance loop ik op hem af. Als ik voor hem sta, zijn zijn ogen op dezelfde hoogte als de mijne. Ze zeggen dat dit voorbestemd is. Dat ik hem kan vertrouwen. Dat dit mijn moment is.

Hij slaat zijn rechterhand om mijn middel en pakt mijn linkerhand vast. Er klikt iets in mijn hoofd en ik lijk met hem samen te smelten. Als een magneet die op haar tegenpool smakt. Danny op Sandy. Johnny op Baby.

Start de muziek.

Ik geef me volledig over. Elke beweging wordt door Hem ingezet en ondersteund. Ik dans en volg en draai en stap. Alles klopt en er is geen twijfel. Alleen de muziek en de beweging.

Met een draai die in de eetzaal van Dirty Dancing een staande ovatie zou scoren, eindigen we ons samenspel. Hij kijkt me nog één keer diep in de ogen en het volgende dat ik me herinner, is dat de menigte de dansvloer weer overneemt en ik naar mijn groep loop.

Ze kijken me aan alsof ik iemand anders ben. Geschokt. Lichtelijk angstig zelfs misschien.

‘Ik wist niet dat jij zo goed kon dansen,’ zegt er uiteindelijk één.
‘Ik ook niet,’ zeg ik.

Hij wel.

En vanaf die dag weet ik dat ik veel meer kan dan ik zelf vermoed. En jij ook, dat weet ik.

Bring. It. On. Baby.

 

PS: Wil je meer van me lezen of zoek je nog een goed Sinterklaascadeau? Mijn boek is een aanrader als het gaat om helpende gedachten, talenten en steunzolen! En als je wilt lachen. Want dat is altijd een goed idee.

 

Wat je niet van mij wist maar je misschien wel was opgevallen

Ik val maar meteen met de deur in huis: ik ben een spijkerbroekenmeisje.

Ik heb best leuke kleren in mijn kast hoor, en ik kan ook erg genieten van goedgeklede vrouwen. Maar als ik ’s morgens voor mijn eigen kast sta, kies ik toch het liefst die stevige, vlekbestendige, soepele werkbroek. Leuk bloesje erop, kek jasje, hoppa.

Er zijn mensen die daarop spugen. En dat snap ik ook. Maar ik heb niet zo’n talent voor mode. Ik koop zo vaak dingen die me in de winkel leuk lijken en als ik thuiskom slaat het als een tang op een varken. Te pofferig, te lijzig, te iemand anders.

Het ergst zijn de appjes met ongevraagde dresscodes, die ik soms krijg. Van die niet zo stille hints als: ‘Wij doen allemaal onze jurkjes aan hoor!’. Met een duimpje dat er vriendelijk en goedkeurend uitziet, maar dat voor mij voelt als een terechtwijzend vingertje. Dat ze tegen elkaar gezegd hebben: zeg even tegen die Liek dat ze iets netjes aandoet, anders komt ze weer in d’r spijkerbroek.

Ik kan doen alsof het me niet interesseert. Lekker dragen waar ik me comfortabel in voel. Maar als rasecht gevoelsmens en original pleaser comformeer ik me ook graag.

Dus ook bij de eerstvolgende sociale bijeenkomst, mijn Romeinse Boekenclub, doe ik mijn netste witte broek en bijpassend lichte zijden blouse aan. Maar daar aangekomen loop ik al meteen tegen een obstakel aan. Want mijn boekenclub komt bijeen aan de tuintafel van mijn vriendin, met uit houtblokken gehakte stoelen erbij, die nog een beetje vochtig zijn van de ochtenddauw.

Mijn witte broek roept heel hard nee, dus tegen de rug van de naar binnen verdwijnende vriendin roep ik: ‘Heb je ook iets van een kussentje?’. Ik voel me meteen een truttige zeur. In m’n spijkerbroek zou ik daar nooit om gevraagd hebben.

Maar het wordt nog erger.

Want gastvrouw A. heeft, naast robuuste houten zitblokken, ook een robuuste Cane Corso. Zeg maar een labrador op steroïden. Deze buitenhond draagt de hele tuin in zijn vacht en bek mee. Helaas voor mijn witte broek heeft hij ook de liefste ogen van de wereld, dus als hij naar me toe komt rennen, zak ik natuurlijk op mijn hurken en knuffel ik mijn grote vriend stevig.

Mijn kleding gilt het uit. Tevergeefs. De vlekkeloosheid sterft een snelle dood.

Maar het wordt nog erger.

Met mijn inmiddels beige broek neem ik weer plaats aan tafel, waar ik een vers vogelpoepje van een bord veeg. Het gesprek rolt ondertussen moeiteloos van de deugden van de echtgenoot naar – oh ironie – de witwaspraktijken van de Italiaanse mafia.

Dan wijst een vriendin naar mijn schouder. ‘Eh, Liek, dat vogelpoepje dat je net vond, zoiets zit nu ook op je blouse.’

En ja hoor, naast een bevlekte broek heb ik nu ook een niet meer zo lichte blouse aan.

‘Geeft niks,’ roep ik wanhopig en ik check de onbevlekte, charmante kledij van de andere dames. Zij houden niet zo van honden en dat is wel zo netjes.

Ik laat het los en geniet van de zon, de vogels, de stilte in het heuvelachtige landschap, de bergen in de verte, de in zout gebakken courgette en de verse lasagne. Als de door de Italiaanse hulp gebakken cakejes met witte kokosvlokken op tafel komen, vraagt A. of we het leuk vinden om het restant olijven uit haar boomgaard te helpen plukken.

Op dat moment weet ik het zeker: dit bezoek was een test.

Mijn gewonde witte broek slaakt een laatste wanhoopskreet, maar ik dans niet langer naar haar pijpen. Olijven plukken in een Italiaanse boomgaard is een item op mijn bucketlist, dus ik pak de grootste rieten mand die er is en sta al onder een olijfboom als de rest nog aan de koffie zit.

Ik trek aan takken die hun stoffige aanbaksel op mijn zijden mouwen lossen. De kwijlende hulk schuurt liefkozend zijn hondenlichaam tegen mijn benen. Vogels wijzen dreigend met hun cloaca in mijn richting.

En ik, ik krijg een inzicht uit de blauwe hemel.

Geluk hangt niet af van wat je aantrekt. Geluk hangt af van de mate waarin je je alles aantrekt.

Ofzoiets.

PS: Wil je meer van me lezen of zoek je nog een goed Sinterklaascadeau? Mijn boek is altijd een goed idee als het gaat om helpende gedachten, talenten en steunzolen!

Een ontroerende ontmoeting (Boekenmarktverhaal deel 2)

 

Als bij toverslag zwaaide de deftige voordeur open. Een man met een zomerse flaphoed vulde bijna de hele deuropening. Zijn dikke wollen trui stak vreemd af tegen de teenslippers aan zijn voeten.
‘Een zeer goede morgen. Mijn naam is Theodorus Bombarie en ik heet U van harte welkom in de Schijnwerper!’
Zijn handen bewogen op het ritme van de woorden, alsof hij een orkest dirigeerde. Tip kon haar ogen niet van die handen afhouden.
‘Dag mijnheer Bombarie!’ Helt stak zijn hand naar hem uit en de man pompte de arm van Helt heen en weer alsof hij verwachtte dat er water uit zou komen.
’Wees welkom in De Schijnwerper!’ Hij had een diep stemgeluid, als een operazanger. – uit ‘Het Land van Alles, Reisgids naar je Verborgen Talenten’

 

(Vervolg van Boekenmarktverhaal deel 1)

Op de boekenmarkt trekt buurman Theo Bombarie een stevig grijs kleed uit zijn gehavende rijdende boodschappentas. Vervolgens drapeert hij het over zijn kraamtafel alsof hij de tafel dekt voor Hare Majesteit de Koningin.

Vervolgens haalt hij stapels dunne boekjes tevoorschijn.

‘Wat verkoop je?’ vraag ik.

‘Ik ben dichter,’ zegt hij en de trots straalt aan alle kanten uit zijn grote lijf. ‘Ik geef dichtbundels van mezelf en van anderen uit en ik draag ze voor in gelegenheden in het hele land.’ Hij zwaait met zijn armen alsof hij in zo’n gelegenheid staat.

Ik hou nu al van ‘m.

De kraamvrouw heeft inmiddels haar rug naar ons toegedraaid. Johan Meesters – het pseudoniem van de dichter – is misschien wat te veel voor haar.

De dag zal nog uitdagender worden voor de arme vrouw, want na een paar uur verschijnt een vriend van Johan ten tonele: Julius Dreyfsandt zu Schlamm (I kid you not).

Julius is ook een dichter. En de mannen en ik delen broodjes en koffie en verhalen en we zijn beste vrienden voor een dag.

En dan verschijnt Mieke ten tonele.

Mieke – een schichtig uitziende vrouw van een jaar of zestig – loopt een paar keer langs, pakt dan mijn boek en aait over de kaft. Zonder me aan te kijken legt ze het boek weer neer en loopt ze door.

‘Helaas,’ zegt Johan.
‘Volgende keer beter’, zegt Julius.

Na een kwartier komt Mieke weer langs. Deze keer pakt ze het boek en bladert ze er aandachtig doorheen.

‘Het is een boek over je talenten, je gedachten en de mensen die je steunen,’ begin ik. Ik leg haar uit dat je in mijn boek op avontuur gaat met Helt en Tip en onderweg jezelf een beetje beter leert kennen. Ze knikt, alsof ze dat al weet. Zachtjes, alsof het breekbaar is, legt ze het boek terug en loopt door.

‘Helaas,’ zegt Johan.
‘Volgende keer beter,’ zegt Julius.

Een half uur later staat ze er weer. ‘Ik wil dit boek graag kopen,’ zegt ze. Ze overhandigt me het geld.

‘Wat leuk!’, zeg ik. Ik pak een boek voor haar en vraag: ‘Zal ik er iets voor je in schrijven?’
Ze mompelt iets. Ik versta de woorden ‘vroeger’ en ‘kind’.
‘Wat zeg je?’ vraag ik.
‘Dat ik dit boek jaren geleden had willen hebben. Al veel eerder.’ Tot mijn verbazing staan de tranen in haar ogen. Zelfs Johan en Julius vallen er stil van.

Het ontroert me. Er staat een grote houten marktkraam tussen ons in, dus ik probeer met mijn ogen de afstand tussen haar en mij kleiner te maken. Ik begrijp wat ze bedoelt, want ik schreef dit boek voor het kind dat ik zelf was. Ik schreef dit boek omdat ik het zelf zo goed had kunnen gebruiken vroeger.

‘Schrijf er maar voor Mieke in,’ zegt ze.

Ik wil er zoveel meer in zetten. Over hoeveel geluk ik haar gun. Over hoe graag ik haar wil helpen. Over hoe ik haar Steunzool wil zijn. Uiteindelijk schrijf ik alleen maar ‘Voor Mieke, met veel liefs van Liek.’ Want alles wat ik nog meer wil zeggen staat al in het boek.

Ze loopt weg met het boek stevig tegen haar borst gedrukt.

‘Wow,’ zegt Johan.
‘Wow,’ zegt Julius.
‘Ja,’ zeg ik.

Wat een topdag.

 

(Wil je jezelf, je kind, je oma, je kleinkind of je zus ook zo’n mooi boek cadeau geven? Op het heerlijk avondje of voor kerst? Lees hier meer over Het Land van Alles, Reisgids naar je verborgen talenten)

 

Ik wilde meteen weer hard wegrennen (Boekenmarktverhaal deel 1)

 

Ik rijd veel te laat met mijn auto de boekenmarkt op en zie dat bijna alle kramen al zijn ingericht. Achter de kraam aan mijn rechterkant zitten twee oudere mensen te lezen. Met een kopje thee voor hun neus.

Ik gooi mijn negen (!) dozen vol boeken op de kraamtafel en zeg overdreven joviaal: ‘Goeiemorgen, wat boffen we met het weer hè!’ (dat zie ik de extraverte mensen namelijk altijd doen).

‘Ja,’ zegt de kraamvrouw, zonder me aan te kijken.
De man kijkt ongemakkelijk de andere kant op.

Ik ook, en ik zie dat alle andere kramen keurige professionele uitstallingen hebben met – en hier slaat de paniek pas echt toe – sjieke kleden erop. Ik heb geen kleed bij me. Ik moet mijn boeken op de kale planken neerleggen.

Een felle neiging tot vluchten overspoelt me. Gedachten die door mijn hoofd razen zijn:

Wat doe ik hier als schrijvertje tussen die Belangrijke Uitgevers.
Iedereen ziet dat ik hier voor het eerst ben.
Ik ben niet goed voorbereid.
Ik hoor er niet bij.
Ik doe het niet goed.

In mijn wanhoop ga ik op zoek naar een toilet. Bij de Starbucks om de hoek hangt een bordje met ‘Wc afgesloten’ op de deur.

Die willen me ook al niet.

Ik loop om de markt heen en vind een toiletgebouw dat er voor de gelegenheid is neergezet.

Ik fris me op en als ik, tussen de volle boekenkramen door, terugloop naar de plek onheils, schijnt de zon op mijn bol en adem ik de jonge zondagochtendlucht in. Nieuwe moed borrelt omhoog.

Ik kom hier potverdikkeme mijn boek promoten.

Een boek waarin gedachten een belangrijke rol spelen. Grijze gedachtenballen en gekleurde gedachtenballen heten ze in Het Land van Alles: het hebben van grijze gedachtenballen geeft je een rotgevoel en het hebben van gekleurde gedachtenballen geeft je juist een boost.

Ik besluit wat gekleurde ballen in m’n broek te doen.

Ik ben de schrijfster van een geweldig boek.
Ik ben hartstikke leuk.
Het wordt een topdag.

Ik duik mijn lichtbeige omslagdoek op uit mijn tas, drapeer hem op de houten planken en leg er mooie stapels leesvoer op. Ik zet het marketingmateriaal erbij dat ik van mijn uitgever (één van mijn grootste Steunzolen), kreeg. Ik schenk een bakkie koffie uit mijn thermoskan en nestel me op mijn klapstoel.

Alsof ze de ballen in mijn broek voelt, draait de stille kraamvrouw zich naar me toe.

‘Wat een prachtig boek heb je,’ zegt ze zacht. ‘Mag ik het inzien?’

Ik leg een boek in haar handen en na drie keer bladeren en vier keer over de kaft aaien zegt ze: ‘Dit is precies wat ik zoek voor mijn kleinzoon.’
Mijn eerste exemplaar verkoop ik dus al voordat de markt opent. Het wordt een topdag.

Even later manoeuvreert een omvangrijke man zijn boodschappenkarretje achter me langs. Hij draagt een grote flaphoed op zijn witte haren, en zijn baard komt tot halverwege zijn adamsappel.

“Hallooooo , jij bent vast mijn buurvroooouw!” zingt hij.

Ik realiseer me dat ik oog in oog sta met een hoofdpersoon uit mijn boek: Theo Bombarie.

Wordt vervolgd.

(Nieuwsgierig naar mijn boek? Nog op zoek naar een mooi Sint- of Kerstcadeau? Lees hier informatie en reviews over Het Land van Alles)

Harde confrontatie in Colombia

Dus.

We zijn met de kids in Colombia en er is er maar één iemand die een kam bij zich heeft. Hij slaapt bij mij op de kamer en ik ben het niet. En als ik op de derde ochtend onder de douche vandaan stap, bevindt deze kam zich vier kamers verderop, bij de Dochter. Die moet ik dus halen en omdat ik niet met suikerspinhaar door het hotel wil lopen, zet ik de nieuwe sombrero van de Man – doorsnee een halve meter – op mijn hoofd (don’t ask).

Ik open mijn hoteldeur, kijk links en rechts en haast me door de gang. Ik klop op de deur van de Dochter en besef na drie klopjes dat ik bij de verkeerde deur sta.

Het is halfzeven ‘s ochtends.

Ik spurt een deur verder en klop ook daar aan. Ondertussen begint er in de vorige kamer een baby te huilen. Heel hard. Lauren doet maar niet open en ik sta en plein public met een sombrero op in een hotelgang waar ik net een baby heb wakker geklopt. Ik klop nog een keer, en prak me zoveel mogelijk tegen de muur aan om onzichtbaar te worden. De enorme sombrero bemoeilijkt dit proces aanzienlijk. Uit de klopkamer klinkt nu naast babygehuil ook mannengeschreeuw. Ik weeg af hoe erg het is om met vogelnesthaar bij het ontbijt te komen.

Lauren’s deur gaat eindelijk open. Ik probeer naar binnen te glippen maar dat mag niet want de Schoonzoon is bloot. Ik leg het verhaal uit aan mijn liefhebbende Dochter, in hoop op een schuilplaats. Ze stopt me echter onbewogen de kam in mijn handen en zegt, net voordat ze de deur voor mijn neus dichtslaat: ‘Rennen mam’.

 

Vind je mijn verhalen leuk? Check mijn boek: Het Land van Alles!

Waarom Top Gun 2 me aan het huilen maakte

Zondag naar Top Gun 2 geweest. Gekwijld, maar dat geheel terzijde.

Zo’n 29 jaar geleden – ik was stewardess bij KLM – vloog ik van Amsterdam naar Goosebay, om een stel fighter pilots weg te brengen. Zij trainden daar hun ‘laagvliegskills’. Dezelfde dag vlogen we de collega’s die ze aflosten van Goosebay naar Amsterdam.

Daar zat hij bij, de Man waar ik anderhalf jaar later mee trouwde. (Kwijlend, want meine gute wat was hij knap.)

Thuisgekomen van die Goosebay-vlucht keek ik op zijn aanraden de film Top Gun. Het was een goede weergave van hoe het vliegen van straaljagers werkt, had hij gezegd. In de jaren daarna keken we hem nog vaak samen en – lucky bastards – lieten we hem zien aan onze zoon, aan onze tweede dochter en aan onze derde wolk.

We vlogen vóór ons huwelijk nog een jaar samen bij KLM. Jong, verliefd en de toekomst aan onze voeten. En na bijna 40 jaar tot in zijn tenen piloot te zijn geweest, gaat de Man over twee weken met pensioen.

Ik vloog de laatste maanden zoveel mogelijk met hem mee en het voelde net als vroeger. We genoten en genieten op ons allerhardst van de laatste weken bij de blauwe club. En het besef dat aan alles een eind komt is bitterzoet.

Bitter, omdat Arno tegen zijn wil moet stoppen met de baan die hem past als een opgeblazen zwemvest. Zoet, omdat we nu vrij zijn om te besluiten hoe we de rest van onze leeftijd willen gaan doorbrengen.

On top of that zijn we heel dankbaar dat we het samen nog net zo leuk hebben als in de tijd van die eerste Top Gun-film. Dat Top Gun 2 op dit moment uitkomt is dus een mooi voorbeeld van een cirkel die rond is. Vanaf nu wordt alles anders en ja, ik kijk er steeds meer naar uit.

Bijna kwijlend.

 

NIEUWE RUBRIEK: Dikke Tip van Mik de Hond

Ik heb een fobie. Tenminste, zo noemen mijn baasjes het. Die blonde is kootsj ofzo en houdt van dat soort woorden. Die grijze praat die blonde gewoon na.

Anyway,

Ik loop dus niet op gladde vloeren. Ik ben gekke Henkie niet. Voor je het weet glij je uit en dat doet op mijn leeftijd hartstikke zeer aan je poten.

En aangezien die grijze en die blonde veel reizen, logeer ik vaak bij die kleine. Die al dat eten op de grond heeft liggen in die mini-kamer. Maar die vloer is ook spekglad.

Daar loop ik dus niet op.

Daarom neem ik altijd mijn antislipmatten mee. Ik heb er twee. De blonde levert me standaard af met die antislipmatten, met m’n kingsize mand en met m’n logeertas. Dat is een heel gesjouw.

En dat interesseert me vrij weinig.

Want (en hier komt m’n tip): als ik niet krijg wat ik wil houd ik gewoon mijn poten stijf. Ik zet geen stap. Geen slipmat? Dan doe ik geen logeerpartijtje en heeft die blonde dus geen reisje naar Meggico.

Jammer zeg. 

Dus lieve mensen, de moraal van dit verhaal: stuur brokken (ik hou ook van eierkoeken).

Recensie van Het Land van Alles door Lily

Als je dan tien jaar aan je boek werkt.

Omdat je zo graag wilt dat kinderen zichzelf wat beter snappen. Dat ze een soort handleiding krijgen voor zichzelf. Een ‘shortcut’ naar moeitelozer leven, voordat de volwassenheid toeslaat.

En dat je dan dit filmpje krijgt van Lily. Die er precies uithaalt wat voor haar op dit moment blijkbaar belangrijk is: dat je je schaduwkant niet hoeft te verstoppen. Wees brutaal, slordig, lui, wispelturig, chagrijnig, teruggetrokken, gek, onvoorspelbaar, druk, saai, zwak, ongeduldig of arrogant als je dat nodig hebt.

En dat dat zo een verademing kan zijn als dat mag.

Dan laat je wel even een traantje hoor.

(Hier te koop: https://www.vanbrugboeken.nl/…/het-land-van-alles…/)

Waar ik me heel erg voor schaamde

 

Er was iets, diep in mij, dat ik stiekem afkeurde. Ik schaamde me ervoor. Het was een eigenschap die ik niet wilde.

In mijn boek noem ik dat een Diamant.

Het is een eigenschap die je wegdrukt omdat je omgeving er negatief op reageert. Of omdat je denkt dat het je een slechter mens maakt.

Sommigen noemen het een schaduwkant. Maar ik koos ervoor om het een Diamant te noemen. Een Diamant groeit in het donker, en je kunt hem pas polijsten als je hem in het licht houdt. En dan kan het opeens je meest waardevolle bezit zijn.

De eigenschap waar ik me voor schaamde was mijn inconsistentie. Dat ik de ene week elke dag teken en de volgende week m’n potloden niet uit dat beeldige etuitje haal. Dat ik drie weken om de drie dagen blogs post en dan een half jaar niks. Dat ik de ene week vier sociale afspraken heb en vervolgens drie weken in kluizenaarschap leef. Dat ik de ene week het hele huis schrob en in een andere week wakker wordt met vijf volle wasmanden en uit de ijskast kruipende parmezaanse kaas.

En nu, heel langzaam, in mijn 54ste levensjaar, kom ik erachter dat het een pracht van een Diamant is.

Want het leven is geen rechte lijn, het is een golvende cirkel. Er zit een ritme in. Het ritme van dag en nacht, wat ons moe maakt en weer wakker. De maancyclus, die zorgt voor eb en vloed. De hormooncyclus, de jaargetijden, alles is een gezonde afwisseling tussen opbouw en afbouw.

Tussen werken en rusten.

De ene keer voel ik me sociaal en wil ik iedereen zien, de andere keer wil ik alleen zijn. De ene week voel ik me energiek en de andere week heb ik rust nodig. De ene dag wil ik schrijven, de andere dag alleen maar met verf en potloden bezig zijn.

En hoe ouder ik word, hoe meer ik dit respecteer. Accepteer. Ik schrijf niet elke dag. Ik teken niet elke dag. Ik ben niet elke dag gezellig. Ik luister naar mijn lichaam en doe een dagje rustig aan, doe een weekend lekker sociaal of plan een avond Netflix met een zak chips.

En zo maakte ik, heel inconsistent maar met heel veel plezier, een boek over het vinden en waarderen van je eigen schatten.

Mijn eigen Diamant heb ik onder de loep gelegd en ik slijp hem elke dag een beetje bij. Door te luisteren naar wat mijn lichaam nodig heeft. Door te luisteren naar wat mijn hart die dag wil. En door naar mijn hoofd te luisteren als iets echt even moet gebeuren.

Ik word daar heel gelukkig van.

Hoe ziet dat er uit in ‘Het Land van Alles’

Download hier gratis het werkblad ‘Diamant’! Het boek is in de voorverkoop bij oa Bol.com.

 

Ja, ik ben nieuwsgierig!

We respect your privacy. Unsubscribe at any time.

Walk of Shame

 

Ik heb zo’n lekker broekpak. Zo’n ding dat je even snel aantrekt als je boodschappen gaat doen en het buiten pufwarm is. Fijn stofje ook, ik blijf er koel in en zie er toch sjiekerig uit in het winkelcentrum.

Daar was ik dus, in het winkelcentrum en terwijl de Man zijn vaccinatie haalde paste ik snel wat zwarte bikinibroekjes bij Decathlon. Ook zo handig om te hebben, neutraal-zwarte bikinibroekjes.

Lekker allemaal dus.

Broekjes in the pocket, snel nog even naar de doe-het-zelf-winkel voor zwarte nietjes (don’t ask) en dan met wat poké bowls naar huis voor de voetbalwedstrijd.

In de rij bij de doe-het-zelver keken mensen naar me.

‘Arno, waarom kijkt iedereen naar me?’ vroeg ik nog.
‘Omdat je blond bent,’ zei de Man met haast.
En hij trok me mee naar de zelfbedieningskassa, want dat gaat lekker snel als je de wedstrijd niet wilt missen.

Allora.

 

Ik rende nog even de supermercato in voor die poké bowls en bij de kassa zei de cassiere iets over mijn pak. In rap Italiaans. Ze vroeg iets over de binnenkant en ik nam aan dat ze m’n pak net zo leuk vond als ik dus bedankte ik haar. En dat ik haast had, want de wedstrijd. Ze lachte naar de volgende klant.

Zoals altijd drong wat ze zei pas een minuut of twee later tot me door en keek ik op de roltrap naar beneden, naar mijn beeldige broekpak.

Het zat binnenstebuiten.

En Nederland verloor.