De Maremma’s van de buurman

Aan de kop van onze straat staat het huis van De Kluizenaar. Het is een vervallen, oranje villa met geheimzinnige torentjes en afgebladderde luiken. De tuin is overwoekerd en het hek is hoog en verroest. Af en toe zien we hem achter het raam in zijn badkamer, de kluizenaar, in niets anders dan een hemd.

Hij heeft drie witte berghonden. En die blaffen. De hele dag.

Op een dag verhuist hij en de honden blijven achter om het huis te bewaken. Het blaffen verergert. ’s Nachts slapen we slecht, ze blaffen namelijk om alles: een duif die wegvliegt, de zon die opkomt, de buurvrouw die het vuilnis buitenzet. En rond een uur of drie, als de slaap het diepst is, huilen ze. Als wolven naar de maan. Het maakt me elke keer wakker en na een paar weken huil ik mee. Hoe lang houden we dit vol? Scenario’s met vergiftigde biefstukken en jachtgeweren dringen mijn hoofd binnen. Het slaapgebrek knabbelt aan mijn dierenliefde.

Ik begin ze te observeren. De oudere hond staat altijd recht voor het hek en blaft het hardst, een kleine teef staat een stapje achter hem en doet mee. Boven op een soort afdakje, naast het hek, staat Hij. Een spierwitte, majestueuze reu. Hij staat er altijd, in de nacht, in de regen, in de snikhete middagzon. En hij staart. Stil en intelligent, een Romeinse keizer op zijn eigen forum.

Ze groeien aan me, ondanks mijn boosheid. Ze zijn zo alleen, niemand die om ze geeft. Ik koop kauwstaafjes bij de supermercato, en bij thuiskomst stap ik op ze af. De keizer ziet me komen en wacht af, zijn indringende zwarte ogen laten me niet los. De oude hond is minder beheerst: hij ontploft en begint met ontblote tanden wild tegen het hek aan te springen.

Het eerste staafje gooi ik onhandig in zijn richting, maar hij blokt het met zijn grote lichaam. Ik deins terug, bang dat hij door het hek heen breekt. Het tweede staafje komt naast hem terecht en pas als ik op veilige afstand ben eet hij het schrokkend en grommend op, als een haai die te lang moest wachten na het ruiken van bloed. De bovenhond vangt mijn lekkernij op en als ik bij het hek nog even omkijk is zijn blik alweer op me. Alsof hij me kent, tot op het bot.

In de weken die volgen ga ik door. Steeds dichterbij mag ik komen, al blijft de oude hond voor de vorm protesteren. Als ze er niet staan fluit ik zacht, en binnen een paar seconden staat de keizer dan al daar. En zo komt de dag dat de grote oude beer stil blijft als hij me ziet. Als ik hem de lekkernij toegooi, peuzelt hij het rustig op. De keizer kijkt toe, en knikt bijna. Zo is het goed, ik mag er zijn.

De dagen erna begin ik tegen de oude hond te praten, en zijn staart zwaait zachtjes terug. Zo worden we, met hele kleine stapjes, vrienden. Zodra hij me ziet krabbelt hij nu moeizaam op, zwaait liefdevol met zijn staart en piept zachtjes. Ze blaffen nu minder, en ’s nachts word ik nauwelijks meer wakker.

Het is anders, het zijn mijn grote witte vrienden die de wacht houden.

Tot ik deze week de deur uit stap, en het afdakje leeg blijft. Ik fluit, maar er komt geen witte kop tevoorschijn. Er zit een nieuw slot op het hek, en er hangt roodwitte afzettape voor het huis. Het geheel geeft een indruk van een plaats delict.

Ze komen niet terug. Ik heb geen idee waar ze zijn, mijn hondjes. Ik mis het grote witte lijf tegen het hek, dat alleen in beweging kwam als hij mij zag. Zijn vriendelijke kop, hoe hij zijn oren naar achter deed en zijn staart verraadde hoe lief hij me vond, alleen mij. De snuit tegen het hek als ik lieve woordjes fluisterde. De manier waarop de keizer tevoorschijn sprong, zodra hij me hoorde. Hoe hij er gewoon stond als ik in het donker thuiskwam, kijkend of ik veilig het hek door kwam. We hadden een stilzwijgende band, hij en ik.

’s Nachts is het stil. Ik moet eraan wennen, en realiseer me dat ik voor het eerst sinds we hier wonen wakker wordt van fluitende vogels in plaats van hard geblaf. Pas nu het weg is, voel ik hoeveel lawaai er altijd was. Er is een rust neergedaald op onze dagen. En toch. Iedere keer als ik aan kom rijden hoop ik dat ze er zijn.

Mijn trouwe witte wakers.

Verloren in Bangkok

Midden in een zin blijft zijn mond openstaan. De lucht die eraan ontsnapt vormt twee woorden, die niets met het gesprek te maken hebben.

‘Mijn tas…’

Drie uur daarvoor lopen we de zaak van Co van Kessel in Bangkok binnen. Co organiseert fietstours door de stad. Onze groep bestaat uit twee Nederlandse wereldreizigers, twee oudere Rotterdammers, een Friese jongen op weg naar stage in Sydney, een Vlaamse kunsthandelaar, Arno, Sophie en ik.

De tocht begint om de hoek van de winkel, waar we al meteen in straatjes met buitenkokende mensen, theedrinkende tandeloze vrouwtjes en wasteiltjes met baby’s erin belanden. Het overvalt me zo, dat ik spontaan volschiet. Hoe vaak ik ook reis, het ontroert me elke keer weer dat ik dit allemaal mag meemaken.

Ik snuif de typische geur op die ik nog ken van vijfentwintig jaar geleden, toen ik hier als stewardess vaak kwam. Het is een onmiskenbare mix van uitlaatgassen, orchideeën, vissaus en menselijke uitwerpselen. De vochtige tropenhitte smelt alles samen tot een allesdoordrenkende, onzichtbare massa. Het altijd aanwezige lawaai van dieselauto’s, taxiboten en tuktuks en de knalroze, gifgroene en helblauwe huizen maakt er een spektakel voor de zintuigen van.

Manoeuvrerend tussen de gaten en de kuilen worden we toegejuicht door vrouwen met plastic boodschappentasjes, worden we de goede richting op gecoacht door werklui met zwarte handen en gehighfived door rijen schoolkinderen. Iedereen lacht ons toe, als we door zonnige steegjes en langs goudglimmende tempels fietsen. We komen langs markten met speelgoed in alle kleuren van de regenboog, door donker slagersgebied waar gevilde dieren bloedend hangen te wachten op de schroeiende gasbranders, en door kloosters met oranje monniken die liefdevol hun terrasplanten water geven in het warme ochtendzonnetje.

Het wordt snikheet. Plaspauzes gebeuren op wc’s waarboven je hurkt en drinken krijgen we uit koelboxen in winkels die meteen ook iemands huiskamer zijn. Onderweg vertelt de groep elkaar hun verhalen en de jongen die voor het eerst zo ver weggaat, luistert stil naar de avonturen van de ervaren reizigers. Hij doet ons allemaal denken aan onze eigen zonen en we nemen hem ouderlijk onder onze hoede.

Dan, als een open bus ons met fiets en al naar de kust brengt, komen die woorden uit zijn mond.

‘Mijn tas…’

Zijn tas met portemonnee is weg. Meteen zetten onze gidsen een telefonische zoektocht in. De jongen zit met een wit gezicht tussen Arno en een andere vader in. Ze stellen hem gerust, instrueren hem over telefoonnummers en ambassades en beloven dat ze hem niet zonder geld weg laten gaan.

Als we even later langs zoutmeren en kokosnootplantages rijden, is hij er niet echt bij; hij fietst op de automatische piloot en kijkt zonder het landschap te zien. We wachten op meer nieuws en als we uren na het begin van de zoektocht Fanta drinken uit de koelbox van een hut in het midden van een zandvlakte, komt de gids naar hem toe. Ze pakt hem bij zijn arm en kijkt hem diep in zijn ogen.

‘I have good news and I have bad news for you.’
Hij laat zijn schouders zakken. ‘Tell me the bad news first.’
‘Het slechte nieuws is dat we je tas niet hebben gevonden.’
De tranen schieten in zijn ogen. ‘Wat is het goede nieuws dan?’ vraagt hij met hoge stem.
‘Het goede nieuws is dat ik loog.’
De gids lacht zelf het hardst en de jongen lacht hysterisch mee.

Er wordt gejuicht en op natte ruggen geslagen en blij springen we weer in het zadel, de een wat voorzichtiger dan de ander. Als we weer bij Co aankomen ruiken we naar zweet, hebben we pijnlijke konten, en mogen we ons nog één zwoele avond onderdompelen in de heksenketel die Bangkok heet.

Wij zijn vreselijk stinkende geluksvogels.

Blond in Amsterdam

De blonde vrouw had een zonnebril op en een lange, zwarte jas aan. Schichtig keek ze om zich heen, toen ze de inhoud van haar handbagage op de rolband legde.
‘Tablets, laptops and phones out of the bags please!’
Hier was ze zo bang voor geweest. Ze legde alles in de plastic bak, naast haar rolkoffer. De rolband nam alles mee, het was uit haar handen nu. De beveiligingsbeambte wenkte haar dat ze in de scanner kon gaan staan, en ze mocht doorlopen om haar koffertje weer op te halen.

Wat ze vreesde was echter al gebeurd: de plastic bak met haar spullen was apart gezet en een man in uniform stond verdwaasd naar de inhoud te staren.
‘Van wie zijn deze spullen?’
De vrouw stak aarzelend haar hand op en de beveiliger stak de zijne in de bak. Toen hij hem weer omhoog hield hing er een zakje rijst in. 
‘Wat is dit?’
Het gezicht van de vrouw werd vuurrood. Opeens leek iedereen in de hal naar haar te kijken. 
‘Mijn mobiel. Hij viel vanmorgen in het toilet.’ 
Het gelach achtervolgde haar tot het overstemd werd door de startende motoren van het vliegtuig naar Nederland.

Laten we er verder geen doekjes om winden: dat blondje ben ik. Het is al de vijfde keer in twee jaar dat mijn telefoon in de rijst belandt. Het is mijn grootste talent: ik kan zo verdwijnen in mijn gedachtenwereld dat ik geen aandacht meer heb voor wat mijn aandacht nodig heeft. Zoals ik ook weleens het gas aan laat staan als ik een eitje heb gebakken. Een flesje water in mijn tas gooi zonder de dop erop te draaien. Een kind vergeet van school te halen omdat ik lekker aan het schilderen ben. Ouderavonden mis, pakjes zonder postzegel op de brievenbus doe, niet oplet waar ik de auto parkeer zodat je me urenlang zoekend rond kunt zien dwalen in parkeergarages.

Het is niet de leeftijd. Het is niet mijn haarkleur.Ik doe het al zolang ik me kan herinneren. Ik kan me volledig terugtrekken uit de echte wereld. En dan hele stomme dingen doen.

En zo ga ik dus met een kapotte telefoon op reis. Het komt allemaal heel slecht uit, want om tien uur moet ik een tentamen doen ergens in Amsterdam. Zonder NS Reisplanner en Google Maps is het nattevingerwerk hoe laat ik aankom en welke kant ik op moet.

‘Naar het noorden lopen, de zon in je rug!’ zegt mijn piloot nog lief, als hij me bij de vertrekhal in Rome uit de auto duwt. En dan sta ik er alleen voor.

En ik loop gewoon goed. Ik leg het tentamen af in een fractie van de tijd die me gegeven is en sta even later geslaagd weer buiten. In een warme lunchroom eet ik bagels, drink chai latte en werk door aan mijn nog ongeboren kinderboek. Zo kan ik urenlang schrijven, volkomen afgesloten van de wereld om me heen.

Het is mijn grootste talent.

Verdwaald in Nederland

Het is halfvijf ’s morgens, als ik mijn puber een kus op haar slapende hoofd geef. Ze schrikt op, mompelt ‘Koop appelflappenmix’ en trekt het dekbed weer over zich heen. De hond kijkt me meewarig aan vanuit haar warme mand.

Ik ga een weekend naar Nederland en ik ga alleen.

Koud

Het is fris in het vliegtuig, en ik houd de hele weg mijn jas aan. De koude boterham met kaas helpt om mijn lege maag te vullen, maar verwarmen doet-ie me niet. Op Schiphol stap ik op de trein, met rugzak en rolkoffer. Er hangt een bui in de lucht en, zo zag ik tijdens de daling, twee lagen wolken tussen mij en de zon. Als ik een half uur later in het centrum uitstap, zie ik een Starbucks. Verkleumd tot op het bot en verleid door de posters van Kaneelchoco en Speculaaslatte, bestel ik een koffie. In het Nederlands.

‘Een medium latte graag!’ Het komt heerlijk vloeiend mijn mond uit, mijn moedertaal.
‘Would that be all?’
Even ben ik in de war. Zie ik er niet meer Nederlands uit?
‘Nee hoor, dat is het.’ Ik spreek extra duidelijk deze keer.
‘Okay, that will be three euro and ninety five cents.’
Ik ben verbijsterd en duw net iets te hard mijn pinpas in het apparaat.
Ze geeft me de koffie.
‘Dank je wel,’ zeg ik nijdig. Ze kijkt me verontschuldigend aan en ik denk aan een complot.

Met in de ene hand een latte en en in de andere een ratelende rolkoffer en een telefoon, ploeter ik door naar de kapper, die ik op goed geluk geboekt heb. Hij zit mooi op de route naar mijn volgende bestemming. Helaas doet google maps raar, en ik zie dat ik al vijf minuten lang 200 meter van de kapperszaak af ben. Een bouwvakker kruist mijn pad en hij ziet er erg Amsterdams uit.

‘Kunt u me vertellen waar de Reguliersdwarsstraat is?’
Hij maakt een afwerend gebaar met zijn handen. ‘Sorry, no english.’
What the hell. Dit begint creepy te worden. Ik weet ondertussen voor vijfennegentig procent zeker dat ik Nederlands spreek.
‘IK SPREEK NEDERLANDS!’
De arme man deinst achteruit. Het Starbuckstrauma eist zijn tol.
‘No, no english.’, zegt hij angstig. Het is duidelijk dat ik onverstaanbaar ben. Ik ben een alien in mijn eigen land.

Ik ga even op een stoepje zitten, en puzzel uit wat er verkeerd is gegaan met de navigatie. Een paar minuten later ben ik op de goede weg, en al snel bereik ik mijn adres. Het blijkt een troosteloos vervallen zaak te zijn. Er hangt een bordje met ‘closed’ op de deur.

De moed zakt me in the shoes.

Wordt het Trump of Hillary?

De weghelft van de tegenliggers is spookachtig leeg. De auto’s vóór ons vertragen steeds meer, tot we met z’n allen een lange, traag rijdende stoet vormen. Sommige bestuurders hangen half uit het raampje, en beginnen te zwaaien. Wat is er aan de hand?

Limousines

Als er drie politiemotoren over de lege weghelft onze kant op komen rijden, begrijpen we het. Hillary! Trump! De presidentiële kandidaten komen eraan! De opwinding is te voelen in onze auto. Zullen we de rode vossenkuif van Trump in één van de auto’s kunnen zien? Zal het ziekelijk witte gezicht van de Hillary door het getinte glas schijnen?

Na een hele tijd niets, verschijnen er nog tientallen motoren. Deze keer begeleiden ze een zwarte limousine. We hangen zwaaiend uit het raam, tot we zien dat het niet de enige limousine is. Er volgen er nog tien, daarna vijf politieauto’s, tien motoren, een ambulance, zeven witte bestelbusjes en twee brandweerauto’s. Dan is het opeens voorbij. De rode kuif of de bleke snoet hebben we niet gezien.

We zijn op weg naar het vliegveld van Miami, na een heerlijke vakantie in Orlando.

Thuis

Een paar dagen later kijken we in Rome naar de live uitzending van CNN. Als we om kwart over twee ons bed in rollen, ziet alles er nog als verwacht uit. Trump heeft wat rode staten gewonnen en Clinton staat voor in Florida en North Carolina. Kat in het bakkie.

Ik val als een blok in slaap en word gewekt door mijn telefoonalarm. Het voelt alsof ik een minuut geleden ben gaan slapen en ik ben hevig gedesoriënteerd. Het helpt niet dat mijn telefoonwekker, om de een of andere reden, een ander liedje zingt dan normaal. Wat was er ook alweer vandaag?

Dan schiet ik overeind. De verkiezingen. Ik open Whatsapp en zie een bericht van een vriendin. Haar man ligt in kritieke toestand in een ziekenhuis is Verweggistan. En terwijl ik in deze vage onheilsmodus zit, duikt Lauren op naast mijn bed. Haar stem klinkt paniekerig: ‘Weten jullie wie er gewonnen heeft, ze zeggen dat het Trump is, ik kan het nergens vinden, ik snap er niks van.’

Ik ben meteen klaarwakker. Ik stap mijn bed uit, app heen en weer met mijn vriendin en spring onder de douche. Als ik de keuken in loop, staat Arno met een kop koffie in zijn hand samen met de meiden naar CNN te kijken. Het is echt zo. Donald Trump wordt de nieuwe president van de Verenigde Staten.

Ik heb heimwee naar mijn vakantie. Heimwee naar het moment dat ik nog niet wist of Trump of Clinton in die motorcade reed. Nu weet ik het wel. Het was Obama, de Ebbenhouten Halfgod, die zo prachtig voorbijraasde. Wat zal ik hem missen.