Wat je niet van mij wist maar je misschien wel was opgevallen

Ik val maar meteen met de deur in huis: ik ben een spijkerbroekenmeisje.

Ik heb best leuke kleren in mijn kast hoor, en ik kan ook erg genieten van goedgeklede vrouwen. Maar als ik ’s morgens voor mijn eigen kast sta, kies ik toch het liefst die stevige, vlekbestendige, soepele werkbroek. Leuk bloesje erop, kek jasje, hoppa.

Er zijn mensen die daarop spugen. En dat snap ik ook. Maar ik heb niet zo’n talent voor mode. Ik koop zo vaak dingen die me in de winkel leuk lijken en als ik thuiskom slaat het als een tang op een varken. Te pofferig, te lijzig, te iemand anders.

Het ergst zijn de appjes met ongevraagde dresscodes, die ik soms krijg. Van die niet zo stille hints als: ‘Wij doen allemaal onze jurkjes aan hoor!’. Met een duimpje dat er vriendelijk en goedkeurend uitziet, maar dat voor mij voelt als een terechtwijzend vingertje. Dat ze tegen elkaar gezegd hebben: zeg even tegen die Liek dat ze iets netjes aandoet, anders komt ze weer in d’r spijkerbroek.

Ik kan doen alsof het me niet interesseert. Lekker dragen waar ik me comfortabel in voel. Maar als rasecht gevoelsmens en original pleaser comformeer ik me ook graag.

Dus ook bij de eerstvolgende sociale bijeenkomst, mijn Romeinse Boekenclub, doe ik mijn netste witte broek en bijpassend lichte zijden blouse aan. Maar daar aangekomen loop ik al meteen tegen een obstakel aan. Want mijn boekenclub komt bijeen aan de tuintafel van mijn vriendin, met uit houtblokken gehakte stoelen erbij, die nog een beetje vochtig zijn van de ochtenddauw.

Mijn witte broek roept heel hard nee, dus tegen de rug van de naar binnen verdwijnende vriendin roep ik: ‘Heb je ook iets van een kussentje?’. Ik voel me meteen een truttige zeur. In m’n spijkerbroek zou ik daar nooit om gevraagd hebben.

Maar het wordt nog erger.

Want gastvrouw A. heeft, naast robuuste houten zitblokken, ook een robuuste Cane Corso. Zeg maar een labrador op steroïden. Deze buitenhond draagt de hele tuin in zijn vacht en bek mee. Helaas voor mijn witte broek heeft hij ook de liefste ogen van de wereld, dus als hij naar me toe komt rennen, zak ik natuurlijk op mijn hurken en knuffel ik mijn grote vriend stevig.

Mijn kleding gilt het uit. Tevergeefs. De vlekkeloosheid sterft een snelle dood.

Maar het wordt nog erger.

Met mijn inmiddels beige broek neem ik weer plaats aan tafel, waar ik een vers vogelpoepje van een bord veeg. Het gesprek rolt ondertussen moeiteloos van de deugden van de echtgenoot naar – oh ironie – de witwaspraktijken van de Italiaanse mafia.

Dan wijst een vriendin naar mijn schouder. ‘Eh, Liek, dat vogelpoepje dat je net vond, zoiets zit nu ook op je blouse.’

En ja hoor, naast een bevlekte broek heb ik nu ook een niet meer zo lichte blouse aan.

‘Geeft niks,’ roep ik wanhopig en ik check de onbevlekte, charmante kledij van de andere dames. Zij houden niet zo van honden en dat is wel zo netjes.

Ik laat het los en geniet van de zon, de vogels, de stilte in het heuvelachtige landschap, de bergen in de verte, de in zout gebakken courgette en de verse lasagne. Als de door de Italiaanse hulp gebakken cakejes met witte kokosvlokken op tafel komen, vraagt A. of we het leuk vinden om het restant olijven uit haar boomgaard te helpen plukken.

Op dat moment weet ik het zeker: dit bezoek was een test.

Mijn gewonde witte broek slaakt een laatste wanhoopskreet, maar ik dans niet langer naar haar pijpen. Olijven plukken in een Italiaanse boomgaard is een item op mijn bucketlist, dus ik pak de grootste rieten mand die er is en sta al onder een olijfboom als de rest nog aan de koffie zit.

Ik trek aan takken die hun stoffige aanbaksel op mijn zijden mouwen lossen. De kwijlende hulk schuurt liefkozend zijn hondenlichaam tegen mijn benen. Vogels wijzen dreigend met hun cloaca in mijn richting.

En ik, ik krijg een inzicht uit de blauwe hemel.

Geluk hangt niet af van wat je aantrekt. Geluk hangt af van de mate waarin je je alles aantrekt.

Ofzoiets.

PS: Wil je meer van me lezen of zoek je nog een goed Sinterklaascadeau? Mijn boek is altijd een goed idee als het gaat om helpende gedachten, talenten en steunzolen!

Walk of Shame

 

Ik heb zo’n lekker broekpak. Zo’n ding dat je even snel aantrekt als je boodschappen gaat doen en het buiten pufwarm is. Fijn stofje ook, ik blijf er koel in en zie er toch sjiekerig uit in het winkelcentrum.

Daar was ik dus, in het winkelcentrum en terwijl de Man zijn vaccinatie haalde paste ik snel wat zwarte bikinibroekjes bij Decathlon. Ook zo handig om te hebben, neutraal-zwarte bikinibroekjes.

Lekker allemaal dus.

Broekjes in the pocket, snel nog even naar de doe-het-zelf-winkel voor zwarte nietjes (don’t ask) en dan met wat poké bowls naar huis voor de voetbalwedstrijd.

In de rij bij de doe-het-zelver keken mensen naar me.

‘Arno, waarom kijkt iedereen naar me?’ vroeg ik nog.
‘Omdat je blond bent,’ zei de Man met haast.
En hij trok me mee naar de zelfbedieningskassa, want dat gaat lekker snel als je de wedstrijd niet wilt missen.

Allora.

 

Ik rende nog even de supermercato in voor die poké bowls en bij de kassa zei de cassiere iets over mijn pak. In rap Italiaans. Ze vroeg iets over de binnenkant en ik nam aan dat ze m’n pak net zo leuk vond als ik dus bedankte ik haar. En dat ik haast had, want de wedstrijd. Ze lachte naar de volgende klant.

Zoals altijd drong wat ze zei pas een minuut of twee later tot me door en keek ik op de roltrap naar beneden, naar mijn beeldige broekpak.

Het zat binnenstebuiten.

En Nederland verloor.

 



DE DAG DAT EEN ZWERVER MIJ AANVIEL

Ik sta bij een stoplicht op de heuvel  in de voorstad van Rome. Zoals iedere dag loopt de man langs de rij.

Zijn huid is oranjebruin, ook in de winter. Ik vermoed dat het vuil is, in combinatie met een leveraandoening en een teveel  aan zon. Zijn klittebaard is donkergrijs, dezelfde kleur als de randjes onder zijn nagels en een rafelige muts bedekt zijn lange, op een kringloopjas hangende haren.

Bij elke auto stopt hij even en dan stoot hij een klank uit, terwijl hij zijn hand, gevouwen als een kommetje, naar je uitsteekt. De meeste automobilisten kijken weg, hun telefoon als dekmantel gebruikend. Zo loopt hij de hele rij langs. Op en neer. Op en neer.

Zielug.

 

Na een paar dagen drukt mijn schuldgevoel ineens zwaar op mijn hart en – oh hemel – ook op het knopje van het raam. Het glijdt open en de man blijft bij me staan. Hij is groter dan ik dacht en hij vult mijn hele blikveld.

Nu moet ik iets geven. Maar in het bakje tussen de voorstoelen ligt het enige cashgeld dat ik bij me heb: het vijftig cent-muntje voor in de winkelwagentjes bij de supermercato. Ik pak het uit het bakje en houd het lief lachend voor hem op. De groezelige klauw grist het uit mijn handen en ik verwacht een dankbare grom.

Maar hij stapt nog dichterbij. Zijn baard hangt nu in mijn auto en zijn lucht vult mijn neusgaten.

‘Urr!’ zegt hij. Zijn tandeloze mond praat tegen me in een onverstaanbaar dialect, terwijl hij ondertussen wijst op de portemonnee die naast me op de passagiersstoel ligt. Hij kijkt boos en ik snap het niet. Ik ben toch aardig geweest? Ik gaf hem geld, een glimlach, mijn medelijden!

Achter me begint iemand te toeteren en het zweet breekt me uit. Ik friemel met het raamknopje en mijn voet zoekt het gaspedaal terwijl de man harder begint te schreeuwen.

‘No!’ roep ik ferm en godzijdank glijdt het raampje dicht. Ik geef gas, de man maakt het typisch Italiaanse gebaar voor ‘stomme Nederlandse trut’ en ik glip door het oranje stoplicht.

En zo loop ik even later, nog een beetje van streek, zonder winkelwagentje door de supermarkt, mijn portemonnee stevig in mijn hand geklemd. Op de een of andere manier voel ik me nog schuldiger dan vóórdat ik mijn raampje en hart opende.

 

 

Vond je dit leuk en wil je geen blog missen? Laat dan hieronder je e-mailadres achter voor blogupdates en ander sappig nieuws uit mijn lege nest.  

 

Avi-fauna

De vrouw slaapt.
Het kind o-pent de deur.
‘Mama, ik heb pijn.
Er is een beest in mijn bed.
Het bijt.’
De vrouw staat op.
Ze loopt naar het bed van het kind.
Er zit een beest in het bed.
Een eng beest.
De vrouw spuit met gif.
Het beest gaat niet dood.
De vrouw roept de man.
De man is boos.
De man komt ook.
Hij pakt een stuk pa-pier.
Hij maakt het beest dood.
Hij gaat naar bed.
Het kind gaat naar bed.
De vrouw gaat naar bed.
De wek-ker gaat.
De vrouw is moe.
Ze geeft de hond voer.
De hond kotst.
De vrouw lacht.
Maar niet heus.

Misdaad

Een vriendin van mij brandde haar arm aan de oven. Heel erg. ‘s Middags pakte de tuinman haar arm vast en sprak de magische woorden: ‘Wacht tot de zon ondergaat. Dan zal ik je helpen’.

Bij zonsondergang liep ze met hem mee de tuin in en sneed hij een blad van de Aloë Vera-plant af. Het sap dat er uitdroop, smeerde hij op haar wond. De volgende dag was deze genezen.

Daarom. Daarom wil ik al zó lang zo’n plant. En nergens in de tuincentra zie ik een mooie, met die bijzondere zeegroene kleur en symmetrische bladeren.
Tot ik gistermiddag het bos uit vluchtte omdat ik zwijnensporen zag (dit is totaal overbodige informatie maar ik vond het wel leuk om te vertellen).

Ik liep dus snel het bos uit met de hond en zag een prachtige Aloë Vera staan, in de voortuin van een van de buren. Een model-Aloë zeg maar.
Ik overwoog een blad af te breken en deze te stekken. Ik sprak mezelf toe dat dat echt asociaal was. En ik deed een stap dichterbij om het blad af te breken. En sprak mezelf weer toe dat het a-sociaal was.

En toen zag ik Hem.

Een mini-Aloë. Zo mooi van kleur, zo perfect van vorm. Een meter voor de model-Aloë zat hij in de grond, naast zijn zusje, mini-Vera.

Ik bukte en brak een blaadje af. En groef dieper en pakte het hele plantje. En rende weg alsof er een kudde zwijnen achter me aanzat. Met mijn eigen Aloë Vera. Die nu dus in een bakje onder de veranda staat. Tot ik ook mijn arm verbrand aan de oven.

Morgen haal ik Vera ook op.

Italiaans gedachtenlezen

De man vóór mij stopt voor de zesde keer zijn pasje in de pinautomaat.
‘Nee’, zegt de kassière op vriendelijke toon, ‘het lukt niet’.
De wanhoop op het gezicht van de man is pijnlijk om te zien en ik voel met hem mee. We hebben allemaal weleens een rij supermarktbezoekers opgehouden omdat er iets mis ging met onze betaling.

Ik wacht geduldig af. Omdat ik nog steeds niet heel vaardig ben in mijn Italiaans, oefen ik alvast mijn conversatie met de kassa-mevrouw. Zeg ik buongiorno of buona sera? Het keerpunt ligt hier in Rome op het middaguur, dus ik kijk voor de zekerheid op mijn horloge.

Als ik weer opkijk vang ik de afkeurende blik van de vrouw.

Nee!, wil ik roepen, ik wil je niet haasten. Ik ben juist heel geduldig, ik begrijp het, ik voel met jullie mee!. Ik keek juist naar de tijd omdat ik een goede Italiaanse ingeburgerde wil zijn!

De man rekent contant af en ik zeg netjes buongiorno. Maar aan het gezicht van de kassière te zien heeft ze haar mening over mij al gevormd.

Denk ik.

En dat is stom, want niemand kan gedachtenlezen.

Hoe ik van een sopraan een alt werd

De familie van mijn moeders kant was ongewoon muzikaal. Elke verjaardag, zon-  en feestdag werd er gitaar gespeeld en gezongen. Ik was een van de jongste kinderen en hoorde helaas niet bij de beste zangers.

Ze waren zo gezellig, die middagen, het was altijd een groot feest. We maakten muziek, we dansten, we lachten. En ik zong zachtjes mee, liefst tweede stem. Al was er niemand die me hoorde in al die reuring.

Als ik met tegenzin de heuvel oploop, naar de school van mijn dochter, vraag ik me af hoe ik me in hemelsnaam in deze situatie gemanoeuvreerd heb. Ik wil helemaal niet naar koorrepetitie. Ik heb niet geoefend, ik vind het moeilijk en ik kan niet zingen.

En ik had het nog wel zo slim bedacht.

Het lijkt me namelijk, en dan heb ik het over een paar weken geleden, de ideale oplossing voor mijn uitdunnende kennissenkring tijdens schoolbarbecues. Bij de wisseling van het schooljaar verhuizen altijd veel van de expats, waardoor ik deze keer op het feestje welgeteld drie mensen ken. Terwijl mijn dochter zich vermaakt met haar vriendinnen, hang ik een beetje rond bij de gefrituurde inktvisringen.

Jaloers kijk ik naar Rachel, een flamboyante Amerikaanse. Ze is het stralende middelpunt van een grote groep mensen en ik herinner me dat ze bij het schoolkoor zit.

Halleluja.

Ik hoor in mijn hoofd de kwartjes vallen, dat is natuurlijk de oplossing! Een grote zaal vol vrouwen, wachtend om mijn nieuwe beste vriendinnen te worden. En zo makkelijk! Ik voel me behoorlijk tevreden met mezelf. Dat ik niet goed kan zingen vind ik een onbelangrijke bijkomstigheid; gewoon een beetje meepiepen en meemurmelen, in zo’n groep valt mijn stem toch niet op.

De realiteit is nogal anders. De grote zaal vol vrouwen blijkt een piepklein muzieklokaaltje te zijn, en het koor bestaat uit vier leden. Er is geen verstoppen aan, mijn meepieptechniek gaat niet werken. Ik moet zingen, en serieus ook.

Are you alto or soprano?’ vraagt Darren de Zangleraar, die zo Brits is als witte bonen in tomatensaus.

‘Sopraan,’ antwoord ik zelfverzekerd. Ik heb werkelijk geen idee. Een alto klinkt me als een struise dame met een lage, mannelijke stem. En vanochtend in de badkamer was ik nog steeds slank en huppelig.

Darren slaat de eerste akkoorden aan en de paniek slaat toe. Zo hoog. Ik piep een beetje mee, murmelen is geen optie en ik heb geen idee wat ik moet doen. De noten op de bladzijde dansen voor mijn ogen en het is allemaal heel erg kerks. Hymnen en psalmen waarvan de melodieën als een soep zonder recept door mijn brein klotsen.

‘Wanneer ben je alto?’ vraag ik, bij de tweede bijeenkomst.
‘Als je de hoge noten niet haalt,’ zegt Darren.
‘Ik ben alto,’ murmel ik, en zet mijn stoel aan de alto-kant van de kamer.

Maar dat blijkt nog moeilijker. Nu zing ik niet de hoofdmelodie, ik doe de riedel die de melodie begeleidt. Piepen hoef ik nu niet meer, dit lage gedeelte redt mijn stem wel. Het is nu voornamelijk mijn hoofd dat in de weg zit. Onzeker over de juiste noten, onzeker of ik niet vals zing. Had ik eerst mijn voet boven de rem, zet ik nu volledig de handrem erop.

Ik vind het echt niet leuk meer. Met lood in mijn schoenen loop ik deze vrijdag de heuvel dus op, vastbesloten dat het mijn laatste repetitie is.

Ik ga zitten op de houten stoel en Darren slaat de eerste noten aan. De sopranen zetten hoog in en wij alto’s doen de laag. We zingen dezelfde liedjes als altijd en ik begin warempel de melodie te kennen. En dan gebeurt er iets.

De pianolessen van vroeger komen terug, en de notensoep op papier wordt een heldere bouillon. Ook besef ik ineens dat ik gewoon tweede stem moet zingen, en dat ik dat al mijn hele leven doe. Ik voel waar ik laag of hoog moet, hoor hoe de andere alto me volgt en ga harder zingen. Als ik hoor hoe mijn stem een deel is van de perfecte harmonie van het koor van vijf, krijg ik duimendik kippenvel.

Als de laatste noot klinkt, kijkt Darren verbijsterd naar ons op.
That was good! That was really amazing!’

Ik glim. Halleluja, het is gelukt, ik zing in een koor. Met als bonus vier nieuwe vriendinnen, die nog gezellig zijn ook.

Als ik in deze roes de schoolpoort weer uitstap en de heuvel af loop, is er halverwege naar beneden een grote oproer. Iemand heeft de handrem van zijn witte Fiat Panda er niet opgezet, en deze heeft zichzelf nu achteruit tegen de zijkant van een witte BMW geparkeerd. Ik gniffel. Toeval bestaat niet, dat psalmen zingen werpt nu al zijn vruchten af. Dit is gewoon een boodschap van boven.

Mik op het hoogste en remmen is voor sukkels.

Hoe om te gaan met een bijna-leeg nest

Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik verheugde me er zo op, op het studentenmoeder spelen.

Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer. Met veel bier in de avond en met patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

Verdomme.

Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik bestelde. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende studentenkamer en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer kieperde. Ik kan haar wel zoenen.

Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken onder een dekentje naar Netflix, gaan uit eten in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

Het enige minpuntje is het afscheid.

Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen: het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nóg een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

Verdomme.

Dat je dan ineens zit te liegen…

‘Het universum bestaat niet uit atomen, maar uit kleine verhalen’ – Muriel Rukeyser

Het is woensdagochtend als ik op weg ben naar de verjaardagslunch van een vrouw die ik nog nooit heb ontmoet. Op de stoel naast me staat een tas met cadeautjes, spullen voor haar huis dat ik nog nooit heb gezien. Ik weet niet hoe ze eruitziet en of ze wel van geurkaarsen houdt.

Ze is de nieuwste aanwinst in ons clubje Nederlanders, hier in Rome. En vandaag is ze jarig en haar man is er niet. Of ik gezellig kom lunchen, er komen nog drie andere vrouwen uit haar wijk, die ik niet ken. En A., die ik dan weer wel goed ken.

En zo zitten A. en ik dan zomaar op een woensdag in een Ierse pub, te kletsen met een blonde Zweedse vamp die echt alles weet van iedereen. Met een mooie wilde Nederlandse, die op haar achttiende als au pair kwam en nooit meer wegging. En met een heel charmante Italiaanse stewardess.

De jarige lacht veel en hard en strooit met knuffels. Ik vind haar nu al leuk.

Als ik daar zo zit, midden op de dag met een glas witte wijn in mijn hand, waan ik me in een aflevering van ‘Sex in the City’. Maar dan de Italiaanse versie.

Want ondertussen worden er in rap Italiaans nieuwtjes uitgewisseld met de restauranteigenaren, wordt er per mobiel olijfolie besteld bij vrienden die net hebben laten persen en echt ‘de beste’ in de omgeving hebben, terwijl een ander per telefoon informeert over een huis dat te huur staat. Iemand heeft het over een feestje organiseren, verhalen van scheidingen en liefdes worden verteld, en het gesprek dwaalt af naar het onderwerp vertrouwen.

‘Ik ben gewoon heel naïef,’ zegt A. ‘Ik neem altijd aan dat anderen eerlijk zijn, omdat ik zelf ook nooit lieg.’

Daar twijfel ik geen moment aan bij haar. Wel denk ik meteen aan die ochtend, ik op mijn laptop, de hulp stofzuigend om me heen.

Ah, patattina!’ hoor ik haar naast me roepen. Ze aait voor de zoveelste keer mijn hond en vraagt alweer iets aan me. Ik zit nog met mijn hoofd in de laatste zin die ik aan het schrijven was.
Si,’ antwoord ik, naar haar opkijkend terwijl haar vraag in mijn hoofd nagonst. Als ik hem terugspeel realiseer ik me dat ze vroeg of Mikki weleens zwanger is geweest, wat dus echt niet zo is.
Maar ik heb al ‘ja’ gezegd. Ik voel me stom en dat is waarschijnlijk waarom ik doorjok.
Tre bambini, drie kindjes, due femmine e un maschio.’ Ik zeg het zonder blikken of blozen. ‘Twee vrouwtjes en een mannetje. Maar nu niet meer.’ En ik maak een schaarknipbeweging met mijn vingers.

Anyway.

De hele weg terug zing ik hard mee met de radio. Want ook ik kreeg bij de verjaardagslunch dus gewoon een hoop cadeautjes. Zoals de geur van geroosterde tomaten met een vleugje tijm en basilicum. De lach van de jarige toen ze haar deken voor de barre Romeinse winter uitpakte. Het warme licht van de najaarszon op het tentdoek boven ons.

Als je er echt op let, is de waarheid vaak veel mooier dan je kunt verzinnen.

 

De vogel die niet meer weg wilde

Als je graag wilt dat iemand blijft, laat haar dan los. Blijft ze, dan houdt ze van je. Gaat ze, dan waren jullie niet voor elkaar bestemd.

Op een dag vliegt er een dwergpapegaai onze tuin in.  Ze vliegt de olijfboom in en neemt ons vorsend op, kopje scheef en voor de duvel niet bang.
‘Tjilp tjilp!

We tjilpen terug, ze blijft gezellig op onze veranda eten, zit lekker op de rugleuning van de stoel en soms op een van de gillende dochtershoofden. Ze noemen haar Kiwi.

‘Zullen we haar houden?’

Maar ik ben niet zo van de vogels. Ik ben bang voor die pikkende bekkies, van die fladderende vleugels. Ook vind ik een vogel in een kooi een beetje zielig.

‘We laten haar gewoon los, als ze bij ons wil blijven mag dat, maar ik ga geen kooitje kopen.’

Ze vliegt weg en laat zich de rest van de dag niet meer zien. Sophie dwaalt een beetje verloren door de tuin.
‘Kiwi! Kiwi!’
Ze had een vogel en nu niet meer.

Als ik de volgende ochtend de vuilnis buiten zet, landt er in een storm van gefladder een groen vogeltje op mijn hoofd. Ik heb de gelukkigste dochter van de wereld. Kiwi laat zich voeren, speelt verstoppertje achter de kussens en neemt bezit van onze tuin. Ze claimt de bank, het voerbakje, de ligbedden en de koffietafel. Ze bijt in je nek, schreeuwt in je oor en vindt het belachelijk dat ze niet naar binnen mag.

Terrorkiwi, noemen we haar. Van mij mag ze gaan, maar ze wil duidelijk blijven.

De oplossing die rest is opvoeden. En daar zit een probleem. Ik weet hoe ik een hond moet trainen. Maar een vogel, dat is onbekend terrein voor mij. Ze voelt m’n angst en onze verstandhouding wordt er niet beter op.

En dan komt de Man thuis.

Het moment dat hij naar buiten stapt, is ze verliefd. Ze nestelt op zijn hoofd, brabbelt in zijn oor en geeft hem liefdesknabbeltjes in zijn nek. Hij krijgt kopjes, hij mag haar aaien en samen dobberen ze in het zwembad, hij in de ligstoel, zij op zijn hoofd. Ze maken samen het zwembad schoon en drinken samen koffie. Zo brengen ze dagen door, a match made in heaven.

Maar Birdman moet weer werken. Hij gaat vliegen, ironisch genoeg.

Als hij weg is doet Kiwi wanhopige pogingen het huis binnen te komen. Ze loopt panisch heen en weer op het raamkozijn achter zijn bureau. Ze doet aanvallen op openende deuren.
‘Waar is mijn man!’ lijkt ze te roepen.
Het is aandoenlijk en ik weet niet zo goed wat te doen.

En dan komt er ook nog een groep vrouwen op bezoek dat weekend.
‘Hond moet binnen blijven, vogel buiten!’ roep ik in de chaos.

Kiwi is niet meer te houden. Ze is schattig, met haar eigenwijze speelsheid, maar ze vliegt ook van gillend hoofd naar gillend hoofd, ze bijt hard in oren, ze poept op feestkleding. Als ze mij als klap op de vuurpijl tot bloedens toe in mijn vinger bijt omdat ik haar voer wil verschonen, schreeuw ik het uit.

‘Rotbeest!’

Dan is ze weg.

Ik heb nu al spijt van mijn uitbarsting. Ze is waarschijnlijk nog maar klein, en weet nog niet zo goed hoe je dat doet, lief zijn. Als ik uren later om het huis heen loop, zit ze daar. Op de tennistas.
‘Tjilp tjilp!’
Ze houdt haar rode kopje scheef, alsof ze wil vragen of ik nog boos ben. Ik aai haar zachtjes en ze blijft rustig zitten. Zo loop ik die dag vaker langs en soms zit ze ín de tas. Als ik dan vraag ‘Kiwi, ben je thuis?’ tjilpt ze haar twee onmiskenbare piepjes vanuit het donker en kruipt omhoog om me te begroeten.
Die dag weet ik dat ik van het groene monstertje hou.

Na het weekend zal ik een mooie grote kooi kopen, dan zien we daarna wel weer verder. Maar dat ze bij ons hoort is duidelijk.

Het is de laatste dag van het bezoek, we ontbijten laat en Kiwi heeft zich nog niet laten zien. Ze is ook niet thuis op haar tas en ik neem aan dat ze op een van haar ontdekkingstochten in de buurt is.

Mijn zus ruikt echter onraad. ‘Ik vind het maar gek, ik kijk nog even.’
Ze ritst de tas verder open en vindt onderin een heel stil groen vogeltje, waarschijnlijk de hele nacht al opgesloten.

Ik schrik me kapot. Ik neem haar op mijn schoot en ze blijft heel stil zitten, terwijl ik haar zachtjes mag aaien. De hele verdere dag slaapt ze, op mijn schoot en onder de haren van Sophie, haar kopje tegen diens nek gedrukt. Ik geef haar hapjes voer, laat haar druppels water drinken, maar ze knapt niet op.

Op maandagochtend om kwart voor acht, een kwartier voordat Sophie voor de eerste keer weer naar school moet, sterft ze in mijn armen.

Dag lief gek, aanbiddend, stronteigenwijs, bijzonder, veeleisend  groen papegaaitje. Je zit nu in ons hart, maar we hadden je zoveel liever schreeuwend op ons hoofd gehad.