Waar ik me heel erg voor schaamde

 

Er was iets, diep in mij, dat ik stiekem afkeurde. Ik schaamde me ervoor. Het was een eigenschap die ik niet wilde.

In mijn boek noem ik dat een Diamant.

Het is een eigenschap die je wegdrukt omdat je omgeving er negatief op reageert. Of omdat je denkt dat het je een slechter mens maakt.

Sommigen noemen het een schaduwkant. Maar ik koos ervoor om het een Diamant te noemen. Een Diamant groeit in het donker, en je kunt hem pas polijsten als je hem in het licht houdt. En dan kan het opeens je meest waardevolle bezit zijn.

De eigenschap waar ik me voor schaamde was mijn inconsistentie. Dat ik de ene week elke dag teken en de volgende week m’n potloden niet uit dat beeldige etuitje haal. Dat ik drie weken om de drie dagen blogs post en dan een half jaar niks. Dat ik de ene week vier sociale afspraken heb en vervolgens drie weken in kluizenaarschap leef. Dat ik de ene week het hele huis schrob en in een andere week wakker wordt met vijf volle wasmanden en uit de ijskast kruipende parmezaanse kaas.

En nu, heel langzaam, in mijn 54ste levensjaar, kom ik erachter dat het een pracht van een Diamant is.

Want het leven is geen rechte lijn, het is een golvende cirkel. Er zit een ritme in. Het ritme van dag en nacht, wat ons moe maakt en weer wakker. De maancyclus, die zorgt voor eb en vloed. De hormooncyclus, de jaargetijden, alles is een gezonde afwisseling tussen opbouw en afbouw.

Tussen werken en rusten.

De ene keer voel ik me sociaal en wil ik iedereen zien, de andere keer wil ik alleen zijn. De ene week voel ik me energiek en de andere week heb ik rust nodig. De ene dag wil ik schrijven, de andere dag alleen maar met verf en potloden bezig zijn.

En hoe ouder ik word, hoe meer ik dit respecteer. Accepteer. Ik schrijf niet elke dag. Ik teken niet elke dag. Ik ben niet elke dag gezellig. Ik luister naar mijn lichaam en doe een dagje rustig aan, doe een weekend lekker sociaal of plan een avond Netflix met een zak chips.

En zo maakte ik, heel inconsistent maar met heel veel plezier, een boek over het vinden en waarderen van je eigen schatten.

Mijn eigen Diamant heb ik onder de loep gelegd en ik slijp hem elke dag een beetje bij. Door te luisteren naar wat mijn lichaam nodig heeft. Door te luisteren naar wat mijn hart die dag wil. En door naar mijn hoofd te luisteren als iets echt even moet gebeuren.

Ik word daar heel gelukkig van.

Hoe ziet dat er uit in ‘Het Land van Alles’

Download hier gratis het werkblad ‘Diamant’! Het boek is in de voorverkoop bij oa Bol.com.

    We respect your privacy. Unsubscribe at any time.

    Walk of Shame

     

    Ik heb zo’n lekker broekpak. Zo’n ding dat je even snel aantrekt als je boodschappen gaat doen en het buiten pufwarm is. Fijn stofje ook, ik blijf er koel in en zie er toch sjiekerig uit in het winkelcentrum.

    Daar was ik dus, in het winkelcentrum en terwijl de Man zijn vaccinatie haalde paste ik snel wat zwarte bikinibroekjes bij Decathlon. Ook zo handig om te hebben, neutraal-zwarte bikinibroekjes.

    Lekker allemaal dus.

    Broekjes in the pocket, snel nog even naar de doe-het-zelf-winkel voor zwarte nietjes (don’t ask) en dan met wat poké bowls naar huis voor de voetbalwedstrijd.

    In de rij bij de doe-het-zelver keken mensen naar me.

    ‘Arno, waarom kijkt iedereen naar me?’ vroeg ik nog.
    ‘Omdat je blond bent,’ zei de Man met haast.
    En hij trok me mee naar de zelfbedieningskassa, want dat gaat lekker snel als je de wedstrijd niet wilt missen.

    Allora.

     

    Ik rende nog even de supermercato in voor die poké bowls en bij de kassa zei de cassiere iets over mijn pak. In rap Italiaans. Ze vroeg iets over de binnenkant en ik nam aan dat ze m’n pak net zo leuk vond als ik dus bedankte ik haar. En dat ik haast had, want de wedstrijd. Ze lachte naar de volgende klant.

    Zoals altijd drong wat ze zei pas een minuut of twee later tot me door en keek ik op de roltrap naar beneden, naar mijn beeldige broekpak.

    Het zat binnenstebuiten.

    En Nederland verloor.

     



    Het tegenovergestelde van depressie is spelen

     

    In het boek van Brené Brown, The Gifts of Imperfection, las ik een quote waar ik het helemaal mee eens ben. (vertaling is van mij)

     

    Het tegenovergestelde van spelen is niet werken – het tegenovergestelde van spelen is depressie. Het respecteren van onze biologisch geprogrammeerde behoefte om te spelen kan werk transformeren. Het kan weer opwinding en nieuwigheid aan je werk toevoegen. Spelen helpt ons omgaan met moeilijkheden, voorziet in een gevoel van ruimte, uitgestrektheid, versnelt het onder de knie krijgen van een vaardigheid en is een essentieel deel van het creatieve proces. Maar het belangrijkst is, dat waarachtig spelen, dat uit onze eigen innerlijke behoeften en verlangens komt, is het enige pad naar blijvende vreugde en bevrediging in ons werk. Op de lange termijn werkt werkt niet zonder spelen.

     

     

    Omdat ik niet meer in de zandbak mag, kocht ik het The Steal Like an Artist Journal van Austin Kleon en ik heb er zo’n lol mee. Het helpt me om mijn hoofd eens totaal de andere kant op te laten denken met opdrachten als

    • maak op deze pagina een mix-bandje voor iemand die jou niet kent
    • 10 dingen waarover ik vermoedelijk meer nadenk dan de gemiddelde persoon
    • stapel boeken op elkaar, maak een gedicht van de ruggen en teken de stapel
    • schrijf op deze pagina iets waarvoor je zou kunnen worden ontslagen, verbannen of verstoten (kras het goed door, zodat niemand het kan lezen)
    • maak een collage van dingen uit je prullenmand
    • schrijf 10 dingen op die je wilt leren

    Een perfect cadeau voor op je verlanglijstje voor Sinterklaas (want je wist toch niet wat je wilde vragen).

     

     

     

    Feelgood-nieuwsbrief 13 december 2020

    nieuwsbrief

     

    Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat een positieve stemming goed is voor je gezondheid en je veerkracht en dat kunnen de meeste van ons goed gebruiken in deze tijd. De feelgood-nieuwsbrief van deze week zit daarom vol humor, feelgood-boekentips, feelgood-kijktips en feelgood-verhalen.

    Bovenstaande afbeelding is een pagina uit mijn Coronadagboek. Ik begon ermee om mijn gedachten te onderzoeken, die alle kanten opgingen in deze turbulente tijd. Het hielp me om weer structuur in mijn leven te krijgen, om weer te kunnen genieten van de dag en om goed voor mezelf te blijven zorgen.

    Schrijf je hieronder in en ontvang de nieuwsbrief morgen in je mailbox. Om van te genieten tijdens je zondagochtendkoffie.

    Veel liefs,

    Liek

    DE DAG DAT EEN ZWERVER MIJ AANVIEL

    Ik sta bij een stoplicht op de heuvel  in de voorstad van Rome. Zoals iedere dag loopt de man langs de rij.

    Zijn huid is oranjebruin, ook in de winter. Ik vermoed dat het vuil is, in combinatie met een leveraandoening en een teveel  aan zon. Zijn klittebaard is donkergrijs, dezelfde kleur als de randjes onder zijn nagels en een rafelige muts bedekt zijn lange, op een kringloopjas hangende haren.

    Bij elke auto stopt hij even en dan stoot hij een klank uit, terwijl hij zijn hand, gevouwen als een kommetje, naar je uitsteekt. De meeste automobilisten kijken weg, hun telefoon als dekmantel gebruikend. Zo loopt hij de hele rij langs. Op en neer. Op en neer.

    Zielug.

     

    Na een paar dagen drukt mijn schuldgevoel ineens zwaar op mijn hart en – oh hemel – ook op het knopje van het raam. Het glijdt open en de man blijft bij me staan. Hij is groter dan ik dacht en hij vult mijn hele blikveld.

    Nu moet ik iets geven. Maar in het bakje tussen de voorstoelen ligt het enige cashgeld dat ik bij me heb: het vijftig cent-muntje voor in de winkelwagentjes bij de supermercato. Ik pak het uit het bakje en houd het lief lachend voor hem op. De groezelige klauw grist het uit mijn handen en ik verwacht een dankbare grom.

    Maar hij stapt nog dichterbij. Zijn baard hangt nu in mijn auto en zijn lucht vult mijn neusgaten.

    ‘Urr!’ zegt hij. Zijn tandeloze mond praat tegen me in een onverstaanbaar dialect, terwijl hij ondertussen wijst op de portemonnee die naast me op de passagiersstoel ligt. Hij kijkt boos en ik snap het niet. Ik ben toch aardig geweest? Ik gaf hem geld, een glimlach, mijn medelijden!

    Achter me begint iemand te toeteren en het zweet breekt me uit. Ik friemel met het raamknopje en mijn voet zoekt het gaspedaal terwijl de man harder begint te schreeuwen.

    ‘No!’ roep ik ferm en godzijdank glijdt het raampje dicht. Ik geef gas, de man maakt het typisch Italiaanse gebaar voor ‘stomme Nederlandse trut’ en ik glip door het oranje stoplicht.

    En zo loop ik even later, nog een beetje van streek, zonder winkelwagentje door de supermarkt, mijn portemonnee stevig in mijn hand geklemd. Op de een of andere manier voel ik me nog schuldiger dan vóórdat ik mijn raampje en hart opende.

     

     

    Vond je dit leuk en wil je geen blog missen? Laat dan hieronder je e-mailadres achter voor blogupdates en ander sappig nieuws uit mijn lege nest.  

     

    Avi-fauna

    De vrouw slaapt.
    Het kind o-pent de deur.
    ‘Mama, ik heb pijn.
    Er is een beest in mijn bed.
    Het bijt.’
    De vrouw staat op.
    Ze loopt naar het bed van het kind.
    Er zit een beest in het bed.
    Een eng beest.
    De vrouw spuit met gif.
    Het beest gaat niet dood.
    De vrouw roept de man.
    De man is boos.
    De man komt ook.
    Hij pakt een stuk pa-pier.
    Hij maakt het beest dood.
    Hij gaat naar bed.
    Het kind gaat naar bed.
    De vrouw gaat naar bed.
    De wek-ker gaat.
    De vrouw is moe.
    Ze geeft de hond voer.
    De hond kotst.
    De vrouw lacht.
    Maar niet heus.

    Misdaad

    Een vriendin van mij brandde haar arm aan de oven. Heel erg. ‘s Middags pakte de tuinman haar arm vast en sprak de magische woorden: ‘Wacht tot de zon ondergaat. Dan zal ik je helpen’.

    Bij zonsondergang liep ze met hem mee de tuin in en sneed hij een blad van de Aloë Vera-plant af. Het sap dat er uitdroop, smeerde hij op haar wond. De volgende dag was deze genezen.

    Daarom. Daarom wil ik al zó lang zo’n plant. En nergens in de tuincentra zie ik een mooie, met die bijzondere zeegroene kleur en symmetrische bladeren.
    Tot ik gistermiddag het bos uit vluchtte omdat ik zwijnensporen zag (dit is totaal overbodige informatie maar ik vond het wel leuk om te vertellen).

    Ik liep dus snel het bos uit met de hond en zag een prachtige Aloë Vera staan, in de voortuin van een van de buren. Een model-Aloë zeg maar.
    Ik overwoog een blad af te breken en deze te stekken. Ik sprak mezelf toe dat dat echt asociaal was. En ik deed een stap dichterbij om het blad af te breken. En sprak mezelf weer toe dat het a-sociaal was.

    En toen zag ik Hem.

    Een mini-Aloë. Zo mooi van kleur, zo perfect van vorm. Een meter voor de model-Aloë zat hij in de grond, naast zijn zusje, mini-Vera.

    Ik bukte en brak een blaadje af. En groef dieper en pakte het hele plantje. En rende weg alsof er een kudde zwijnen achter me aanzat. Met mijn eigen Aloë Vera. Die nu dus in een bakje onder de veranda staat. Tot ik ook mijn arm verbrand aan de oven.

    Morgen haal ik Vera ook op.

    Italiaans gedachtenlezen

    De man vóór mij stopt voor de zesde keer zijn pasje in de pinautomaat.
    ‘Nee’, zegt de kassière op vriendelijke toon, ‘het lukt niet’.
    De wanhoop op het gezicht van de man is pijnlijk om te zien en ik voel met hem mee. We hebben allemaal weleens een rij supermarktbezoekers opgehouden omdat er iets mis ging met onze betaling.

    Ik wacht geduldig af. Omdat ik nog steeds niet heel vaardig ben in mijn Italiaans, oefen ik alvast mijn conversatie met de kassa-mevrouw. Zeg ik buongiorno of buona sera? Het keerpunt ligt hier in Rome op het middaguur, dus ik kijk voor de zekerheid op mijn horloge.

    Als ik weer opkijk vang ik de afkeurende blik van de vrouw.

    Nee!, wil ik roepen, ik wil je niet haasten. Ik ben juist heel geduldig, ik begrijp het, ik voel met jullie mee!. Ik keek juist naar de tijd omdat ik een goede Italiaanse ingeburgerde wil zijn!

    De man rekent contant af en ik zeg netjes buongiorno. Maar aan het gezicht van de kassière te zien heeft ze haar mening over mij al gevormd.

    Denk ik.

    En dat is stom, want niemand kan gedachtenlezen.

    Hoe ik van een sopraan een alt werd

    De familie van mijn moeders kant was ongewoon muzikaal. Elke verjaardag, zon-  en feestdag werd er gitaar gespeeld en gezongen. Ik was een van de jongste kinderen en hoorde helaas niet bij de beste zangers.

    Ze waren zo gezellig, die middagen, het was altijd een groot feest. We maakten muziek, we dansten, we lachten. En ik zong zachtjes mee, liefst tweede stem. Al was er niemand die me hoorde in al die reuring.

    Als ik met tegenzin de heuvel oploop, naar de school van mijn dochter, vraag ik me af hoe ik me in hemelsnaam in deze situatie gemanoeuvreerd heb. Ik wil helemaal niet naar koorrepetitie. Ik heb niet geoefend, ik vind het moeilijk en ik kan niet zingen.

    En ik had het nog wel zo slim bedacht.

    Het lijkt me namelijk, en dan heb ik het over een paar weken geleden, de ideale oplossing voor mijn uitdunnende kennissenkring tijdens schoolbarbecues. Bij de wisseling van het schooljaar verhuizen altijd veel van de expats, waardoor ik deze keer op het feestje welgeteld drie mensen ken. Terwijl mijn dochter zich vermaakt met haar vriendinnen, hang ik een beetje rond bij de gefrituurde inktvisringen.

    Jaloers kijk ik naar Rachel, een flamboyante Amerikaanse. Ze is het stralende middelpunt van een grote groep mensen en ik herinner me dat ze bij het schoolkoor zit.

    Halleluja.

    Ik hoor in mijn hoofd de kwartjes vallen, dat is natuurlijk de oplossing! Een grote zaal vol vrouwen, wachtend om mijn nieuwe beste vriendinnen te worden. En zo makkelijk! Ik voel me behoorlijk tevreden met mezelf. Dat ik niet goed kan zingen vind ik een onbelangrijke bijkomstigheid; gewoon een beetje meepiepen en meemurmelen, in zo’n groep valt mijn stem toch niet op.

    De realiteit is nogal anders. De grote zaal vol vrouwen blijkt een piepklein muzieklokaaltje te zijn, en het koor bestaat uit vier leden. Er is geen verstoppen aan, mijn meepieptechniek gaat niet werken. Ik moet zingen, en serieus ook.

    Are you alto or soprano?’ vraagt Darren de Zangleraar, die zo Brits is als witte bonen in tomatensaus.

    ‘Sopraan,’ antwoord ik zelfverzekerd. Ik heb werkelijk geen idee. Een alto klinkt me als een struise dame met een lage, mannelijke stem. En vanochtend in de badkamer was ik nog steeds slank en huppelig.

    Darren slaat de eerste akkoorden aan en de paniek slaat toe. Zo hoog. Ik piep een beetje mee, murmelen is geen optie en ik heb geen idee wat ik moet doen. De noten op de bladzijde dansen voor mijn ogen en het is allemaal heel erg kerks. Hymnen en psalmen waarvan de melodieën als een soep zonder recept door mijn brein klotsen.

    ‘Wanneer ben je alto?’ vraag ik, bij de tweede bijeenkomst.
    ‘Als je de hoge noten niet haalt,’ zegt Darren.
    ‘Ik ben alto,’ murmel ik, en zet mijn stoel aan de alto-kant van de kamer.

    Maar dat blijkt nog moeilijker. Nu zing ik niet de hoofdmelodie, ik doe de riedel die de melodie begeleidt. Piepen hoef ik nu niet meer, dit lage gedeelte redt mijn stem wel. Het is nu voornamelijk mijn hoofd dat in de weg zit. Onzeker over de juiste noten, onzeker of ik niet vals zing. Had ik eerst mijn voet boven de rem, zet ik nu volledig de handrem erop.

    Ik vind het echt niet leuk meer. Met lood in mijn schoenen loop ik deze vrijdag de heuvel dus op, vastbesloten dat het mijn laatste repetitie is.

    Ik ga zitten op de houten stoel en Darren slaat de eerste noten aan. De sopranen zetten hoog in en wij alto’s doen de laag. We zingen dezelfde liedjes als altijd en ik begin warempel de melodie te kennen. En dan gebeurt er iets.

    De pianolessen van vroeger komen terug, en de notensoep op papier wordt een heldere bouillon. Ook besef ik ineens dat ik gewoon tweede stem moet zingen, en dat ik dat al mijn hele leven doe. Ik voel waar ik laag of hoog moet, hoor hoe de andere alto me volgt en ga harder zingen. Als ik hoor hoe mijn stem een deel is van de perfecte harmonie van het koor van vijf, krijg ik duimendik kippenvel.

    Als de laatste noot klinkt, kijkt Darren verbijsterd naar ons op.
    That was good! That was really amazing!’

    Ik glim. Halleluja, het is gelukt, ik zing in een koor. Met als bonus vier nieuwe vriendinnen, die nog gezellig zijn ook.

    Als ik in deze roes de schoolpoort weer uitstap en de heuvel af loop, is er halverwege naar beneden een grote oproer. Iemand heeft de handrem van zijn witte Fiat Panda er niet opgezet, en deze heeft zichzelf nu achteruit tegen de zijkant van een witte BMW geparkeerd. Ik gniffel. Toeval bestaat niet, dat psalmen zingen werpt nu al zijn vruchten af. Dit is gewoon een boodschap van boven.

    Mik op het hoogste en remmen is voor sukkels.

    Hoe om te gaan met een bijna-leeg nest

    Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik heb me er zo op verheugd, op het studentenmoeder spelen.

    Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer met veel bier en met patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

    Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

    Verdomme.

    Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren, en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

    Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik besteld heb. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende studentenkamer en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

    Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

    En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

    Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

    Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer heeft gekieperd en mee naar Rome heeft genomen. Want helaas heeft ze geen waspoeder en geen schone kleren meer, en daarbij is ze uitgehongerd en brak. Ik kan haar wel zoenen.

    Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken samen onder een dekentje naar Netflix, gaan uit eten in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

    Het enige minpuntje is het afscheid.

    Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen: het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

    Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nog een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

    Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

    Verdomme.