De Maremma’s van de buurman

Aan de kop van onze straat staat het huis van De Kluizenaar. Het is een vervallen, oranje villa met geheimzinnige torentjes en afgebladderde luiken. De tuin is overwoekerd en het hek is hoog en verroest. Af en toe zien we hem achter het raam in zijn badkamer, de kluizenaar, in niets anders dan een hemd.

Hij heeft drie witte berghonden. En die blaffen. De hele dag.

Op een dag verhuist hij en de honden blijven achter om het huis te bewaken. Het blaffen verergert. ’s Nachts slapen we slecht, ze blaffen namelijk om alles: een duif die wegvliegt, de zon die opkomt, de buurvrouw die het vuilnis buitenzet. En rond een uur of drie, als de slaap het diepst is, huilen ze. Als wolven naar de maan. Het maakt me elke keer wakker en na een paar weken huil ik mee. Hoe lang houden we dit vol? Scenario’s met vergiftigde biefstukken en jachtgeweren dringen mijn hoofd binnen. Het slaapgebrek knabbelt aan mijn dierenliefde.

Ik begin ze te observeren. De oudere hond staat altijd recht voor het hek en blaft het hardst, een kleine teef staat een stapje achter hem en doet mee. Boven op een soort afdakje, naast het hek, staat Hij. Een spierwitte, majestueuze reu. Hij staat er altijd, in de nacht, in de regen, in de snikhete middagzon. En hij staart. Stil en intelligent, een Romeinse keizer op zijn eigen forum.

Ze groeien aan me, ondanks mijn boosheid. Ze zijn zo alleen, niemand die om ze geeft. Ik koop kauwstaafjes bij de supermercato, en bij thuiskomst stap ik op ze af. De keizer ziet me komen en wacht af, zijn indringende zwarte ogen laten me niet los. De oude hond is minder beheerst: hij ontploft en begint met ontblote tanden wild tegen het hek aan te springen.

Het eerste staafje gooi ik onhandig in zijn richting, maar hij blokt het met zijn grote lichaam. Ik deins terug, bang dat hij door het hek heen breekt. Het tweede staafje komt naast hem terecht en pas als ik op veilige afstand ben eet hij het schrokkend en grommend op, als een haai die te lang moest wachten na het ruiken van bloed. De bovenhond vangt mijn lekkernij op en als ik bij het hek nog even omkijk is zijn blik alweer op me. Alsof hij me kent, tot op het bot.

In de weken die volgen ga ik door. Steeds dichterbij mag ik komen, al blijft de oude hond voor de vorm protesteren. Als ze er niet staan fluit ik zacht, en binnen een paar seconden staat de keizer dan al daar. En zo komt de dag dat de grote oude beer stil blijft als hij me ziet. Als ik hem de lekkernij toegooi, peuzelt hij het rustig op. De keizer kijkt toe, en knikt bijna. Zo is het goed, ik mag er zijn.

De dagen erna begin ik tegen de oude hond te praten, en zijn staart zwaait zachtjes terug. Zo worden we, met hele kleine stapjes, vrienden. Zodra hij me ziet krabbelt hij nu moeizaam op, zwaait liefdevol met zijn staart en piept zachtjes. Ze blaffen nu minder, en ’s nachts word ik nauwelijks meer wakker.

Het is anders, het zijn mijn grote witte vrienden die de wacht houden.

Tot ik deze week de deur uit stap, en het afdakje leeg blijft. Ik fluit, maar er komt geen witte kop tevoorschijn. Er zit een nieuw slot op het hek, en er hangt roodwitte afzettape voor het huis. Het geheel geeft een indruk van een plaats delict.

Ze komen niet terug. Ik heb geen idee waar ze zijn, mijn hondjes. Ik mis het grote witte lijf tegen het hek, dat alleen in beweging kwam als hij mij zag. Zijn vriendelijke kop, hoe hij zijn oren naar achter deed en zijn staart verraadde hoe lief hij me vond, alleen mij. De snuit tegen het hek als ik lieve woordjes fluisterde. De manier waarop de keizer tevoorschijn sprong, zodra hij me hoorde. Hoe hij er gewoon stond als ik in het donker thuiskwam, kijkend of ik veilig het hek door kwam. We hadden een stilzwijgende band, hij en ik.

’s Nachts is het stil. Ik moet eraan wennen, en realiseer me dat ik voor het eerst sinds we hier wonen wakker wordt van fluitende vogels in plaats van hard geblaf. Pas nu het weg is, voel ik hoeveel lawaai er altijd was. Er is een rust neergedaald op onze dagen. En toch. Iedere keer als ik aan kom rijden hoop ik dat ze er zijn.

Mijn trouwe witte wakers.

Verloren in Bangkok

Midden in een zin blijft zijn mond openstaan. De lucht die eraan ontsnapt vormt twee woorden, die niets met het gesprek te maken hebben.

‘Mijn tas…’

Drie uur daarvoor lopen we de zaak van Co van Kessel in Bangkok binnen. Co organiseert fietstours door de stad. Onze groep bestaat uit twee Nederlandse wereldreizigers, twee oudere Rotterdammers, een Friese jongen op weg naar stage in Sydney, een Vlaamse kunsthandelaar, Arno, Sophie en ik.

De tocht begint om de hoek van de winkel, waar we al meteen in straatjes met buitenkokende mensen, theedrinkende tandeloze vrouwtjes en wasteiltjes met baby’s erin belanden. Het overvalt me zo, dat ik spontaan volschiet. Hoe vaak ik ook reis, het ontroert me elke keer weer dat ik dit allemaal mag meemaken.

Ik snuif de typische geur op die ik nog ken van vijfentwintig jaar geleden, toen ik hier als stewardess vaak kwam. Het is een onmiskenbare mix van uitlaatgassen, orchideeën, vissaus en menselijke uitwerpselen. De vochtige tropenhitte smelt alles samen tot een allesdoordrenkende, onzichtbare massa. Het altijd aanwezige lawaai van dieselauto’s, taxiboten en tuktuks en de knalroze, gifgroene en helblauwe huizen maakt er een spektakel voor de zintuigen van.

Manoeuvrerend tussen de gaten en de kuilen worden we toegejuicht door vrouwen met plastic boodschappentasjes, worden we de goede richting op gecoacht door werklui met zwarte handen en gehighfived door rijen schoolkinderen. Iedereen lacht ons toe, als we door zonnige steegjes en langs goudglimmende tempels fietsen. We komen langs markten met speelgoed in alle kleuren van de regenboog, door donker slagersgebied waar gevilde dieren bloedend hangen te wachten op de schroeiende gasbranders, en door kloosters met oranje monniken die liefdevol hun terrasplanten water geven in het warme ochtendzonnetje.

Het wordt snikheet. Plaspauzes gebeuren op wc’s waarboven je hurkt en drinken krijgen we uit koelboxen in winkels die meteen ook iemands huiskamer zijn. Onderweg vertelt de groep elkaar hun verhalen en de jongen die voor het eerst zo ver weggaat, luistert stil naar de avonturen van de ervaren reizigers. Hij doet ons allemaal denken aan onze eigen zonen en we nemen hem ouderlijk onder onze hoede.

Dan, als een open bus ons met fiets en al naar de kust brengt, komen die woorden uit zijn mond.

‘Mijn tas…’

Zijn tas met portemonnee is weg. Meteen zetten onze gidsen een telefonische zoektocht in. De jongen zit met een wit gezicht tussen Arno en een andere vader in. Ze stellen hem gerust, instrueren hem over telefoonnummers en ambassades en beloven dat ze hem niet zonder geld weg laten gaan.

Als we even later langs zoutmeren en kokosnootplantages rijden, is hij er niet echt bij; hij fietst op de automatische piloot en kijkt zonder het landschap te zien. We wachten op meer nieuws en als we uren na het begin van de zoektocht Fanta drinken uit de koelbox van een hut in het midden van een zandvlakte, komt de gids naar hem toe. Ze pakt hem bij zijn arm en kijkt hem diep in zijn ogen.

‘I have good news and I have bad news for you.’
Hij laat zijn schouders zakken. ‘Tell me the bad news first.’
‘Het slechte nieuws is dat we je tas niet hebben gevonden.’
De tranen schieten in zijn ogen. ‘Wat is het goede nieuws dan?’ vraagt hij met hoge stem.
‘Het goede nieuws is dat ik loog.’
De gids lacht zelf het hardst en de jongen lacht hysterisch mee.

Er wordt gejuicht en op natte ruggen geslagen en blij springen we weer in het zadel, de een wat voorzichtiger dan de ander. Als we weer bij Co aankomen ruiken we naar zweet, hebben we pijnlijke konten, en mogen we ons nog één zwoele avond onderdompelen in de heksenketel die Bangkok heet.

Wij zijn vreselijk stinkende geluksvogels.

Blond in Amsterdam

De blonde vrouw had een zonnebril op en een lange, zwarte jas aan. Schichtig keek ze om zich heen, toen ze de inhoud van haar handbagage op de rolband legde.
‘Tablets, laptops and phones out of the bags please!’
Hier was ze zo bang voor geweest. Ze legde alles in de plastic bak, naast haar rolkoffer. De rolband nam alles mee, het was uit haar handen nu. De beveiligingsbeambte wenkte haar dat ze in de scanner kon gaan staan, en ze mocht doorlopen om haar koffertje weer op te halen.

Wat ze vreesde was echter al gebeurd: de plastic bak met haar spullen was apart gezet en een man in uniform stond verdwaasd naar de inhoud te staren.
‘Van wie zijn deze spullen?’
De vrouw stak aarzelend haar hand op en de beveiliger stak de zijne in de bak. Toen hij hem weer omhoog hield hing er een zakje rijst in. 
‘Wat is dit?’
Het gezicht van de vrouw werd vuurrood. Opeens leek iedereen in de hal naar haar te kijken. 
‘Mijn mobiel. Hij viel vanmorgen in het toilet.’ 
Het gelach achtervolgde haar tot het overstemd werd door de startende motoren van het vliegtuig naar Nederland.

Laten we er verder geen doekjes om winden: dat blondje ben ik. Het is al de vijfde keer in twee jaar dat mijn telefoon in de rijst belandt. Het is mijn grootste talent: ik kan zo verdwijnen in mijn gedachtenwereld dat ik geen aandacht meer heb voor wat mijn aandacht nodig heeft. Zoals ik ook weleens het gas aan laat staan als ik een eitje heb gebakken. Een flesje water in mijn tas gooi zonder de dop erop te draaien. Een kind vergeet van school te halen omdat ik lekker aan het schilderen ben. Ouderavonden mis, pakjes zonder postzegel op de brievenbus doe, niet oplet waar ik de auto parkeer zodat je me urenlang zoekend rond kunt zien dwalen in parkeergarages.

Het is niet de leeftijd. Het is niet mijn haarkleur.Ik doe het al zolang ik me kan herinneren. Ik kan me volledig terugtrekken uit de echte wereld. En dan hele stomme dingen doen.

En zo ga ik dus met een kapotte telefoon op reis. Het komt allemaal heel slecht uit, want om tien uur moet ik een tentamen doen ergens in Amsterdam. Zonder NS Reisplanner en Google Maps is het nattevingerwerk hoe laat ik aankom en welke kant ik op moet.

‘Naar het noorden lopen, de zon in je rug!’ zegt mijn piloot nog lief, als hij me bij de vertrekhal in Rome uit de auto duwt. En dan sta ik er alleen voor.

En ik loop gewoon goed. Ik leg het tentamen af in een fractie van de tijd die me gegeven is en sta even later geslaagd weer buiten. In een warme lunchroom eet ik bagels, drink chai latte en werk door aan mijn nog ongeboren kinderboek. Zo kan ik urenlang schrijven, volkomen afgesloten van de wereld om me heen.

Het is mijn grootste talent.

Alleen in een vreemd land

Dat je dan, als je uit de douche stapt in dat verre land, ineens een koud vlaagje alleenheid voelt. Zomaar uit het niets.

En dat dan, als je later je kind bij school afzet, een vrouw haar raampje naar beneden draait en ‘Angelique!’ roept. Zo ver van huis dat het wennen blijft.

En dat je dan samen pratend over wegen met gaten rijdt en door groengele heuvels met grijzende olijfbomen. Uitstapt in een gerijpt Italiaans dorp met afgesleten vierkante steentjes en een steile straat beklimt die eigenlijk een trap wil zijn. Stopt voor een gietijzeren hek, waar in de spijlen winterbloemen tegendraads bloeien, om in een witgepleisterde grot yogales te krijgen van een lerares die voelt als iemands moeder.

En dat je vervolgens een uur lang meegevoerd wordt in een taal die je soms herkent en je verder gewoon meebeweegt met iedereen om je heen. Als je je ogen sluit, merkt hoe je yogamoeder stil bij je neerknielt en met haar zachte handen voorzichtig je haar ontstaart, zodat je hoofd de grond kan voelen.

En dat je dan als afscheid twee zoenen krijgt en een welkomstspeech. Met je verse vriendin nog een trap oploopt naar een eeuwenoud plein met een onverwarmde koffiebar, waar een mevrouw met twee jassen aan en een gekreukt gezicht een cappuccino voor je maakt. Die je staand aan de bar in drie minuten opdrinkt, terwijl rond je dorpelingen verzamelen en de koffiemachine rammelt en geurt.

En dat je dan, de heuvel afrijdend, langs de groenteboer komt die met handschoenen en muts en rokende adem bietola en broccoletti aan je verkoopt in een kraampje aan de weg, recht van het land. En je één euro vijfentwintig moet betalen.

En dat je dan, warm en rozig, thuis nog een keer koffiezet en weet dat het altijd alleen maar in je hoofd zit, die alleenheid.

Dat.

Toen het licht uit ging in Rome

Alles wordt donker. Dit is een ramp.

Wat voorafging

‘Volgens mij staat Mikki op klappen.’
‘Mam, zijn mijn kleren al droog?’
‘Kun je nog even die trui wassen?’
‘Mam, het is zaterdag, mag ik een taart bakken?’

De wasmachine draait een afscheidswasje, terwijl de droger de vorige was kofferklaar maakt. Ik doe de buitenlamp aan om de plassende hond bij te schijnen en precies op dat moment zet Sophie de oven aan om een taart te bakken. En dan gaat het licht uit.

‘Mam?’

Ik zoek de zwarte hond in het duister en de zaklamp in de gangkast. Na een rondje langs vijf stoppenkasten, verspreid over drie verdiepingen – binnen en buiten – trek ik de makkelijke conclusie dat het een Romedingetje is. Het zal zo wel weer opgelost worden. De kinderen hebben de kaarsen aangestoken, en als we knus bij kaars- en haardlicht zitten, zie ik het vrolijk verlichte huis van de buren. Geen Romedingetje dus.

De realiteit

Het is een storing in mijn eigen huis. De Man is net opgestegen naar Kuala Freaking Lumpur. Het is tien uur zaterdagavond. Het hek waar de auto morgenochtend om vier uur doorheen moet om twee kinderen op het vliegveld te droppen, is elektrisch.

We zitten gevangen, zonder hoop voor de toekomst.

Ik loop weer vier van de vijf stoppenkasten na, ditmaal gebruikmakend van mijn vingers om te checken of de schakelaars echt allemaal naar boven staan. Mijn gevoel is het enige zintuig, na mijn ogen, dat ik in deze situatie nog kan vertrouwen. Het is namelijk vrij onmogelijk om te horen of een schakelaar omhoog staat, en eraan likken is echt walgelijk en behoorlijk onzinnig. Ze staan allevier nog naar boven, dus moet ik naar de vijfde stoppenkast.

Deze is buiten, en aangezien er een reële mogelijkheid is dat een seriemoordenaar de elektrische bedrading heeft doorgeknipt en wacht tot we allemaal slapen om ons dan – ongehinderd door de alarminstallatie – één voor één de keel door te snijden, aarzel ik. En ga natuurlijk, want ik ben een pilotenvrouw dus stoer.

Alle schakelaars staan nog steeds goed. Ondertussen wordt het steeds kouder in huis en zitten alle kleren van de Nederlandgangers nat te zijn in de wastrommel. Ik ren nog drie van dezelfde stoppenkastrondjes voor ik een hulplijn inzet.

De redders

‘Ciao Angelique!’ De warme stem van Barbara, mijn favoriete Italiaanse, brengt me weer bij zinnen. Ze raadt me aan de Vigilanza te bellen, de beveiligingsdienst van onze woonwijk. Drie minuten later staat een man in uniform bij mijn hek en gaat op magische wijze het licht weer aan. Het probleem zat in een geheime stoppenkast in de tuinmuur, die hij wel en ik niet ken. Ik wil hem zoenen, maar hij is alweer in zijn auto gesprongen op weg naar een volgende heldendaad.

Wat dit mij leerde

Mannen in uniform zijn om te zoenen.
Als je aan elektrische zekeringen gaat likken zijn je stoppen doorgeslagen.
Nooit een taart bakken als je hond moet plassen.

Einde

Hoe overleef je het verkeer in Rome?

‘En als we dan morgen naar…HOLY SHIT!’ Een gele Citroën komt van de linkerrijbaan naar de rechterrijbaan, maar daar rij ik al. Ik trap uit alle macht op mijn rem, alles blokkeert. In een fractie van een seconde wijk ik uit en kom ik ongeschonden tot stilstand op het wit gestreepte weggedeelte van de afslag.

Een spijtoptant. Zo noemen we ze hier, bestuurders die op het laatste moment besluiten om toch de afslag te nemen. Levensgevaarlijk.

Ik kijk om me heen naar de chaos. Her en der staan auto’s stil. Er schudden glimlachend wat hoofden, auto’s worden opnieuw gestart en voorzichtig manoeuvreert men om elkaar heen. Ook de boosdoener rijdt rustig weg,en ik toeter hem hard na. Ik ben de enige.

Een andere dag rijden we met z’n allen achter een Fiat 500, die heel langzaam midden op twee weghelften rijdt. Er blijkt een append meisje in te zitten, dat zich volkomen heeft afgesloten van de rest van het verkeer. Ik beweeg mijn hand naar de toeter, maar Arno pakt hem vast. Hij spreekt drie legendarische woorden:

‘Wees. Geen. Hollander.’

Want dat doe ik. Hollanderen in Italië. Elke keer als iemand van de regels afwijkt, voel ik een onbedwingbare lust om te corrigeren.
‘Je mag daar niet parkeren.’
‘Je mag niet bellen tijdens het rijden.’
‘Je mag niet op de vluchtstrook rijden.’
‘Je moet in je eigen baan blijven.’
‘Rechts rijden, links inhalen.’
‘Niet voorpiepen.’

Ik, de Hollander, ben gewend aan orde. En hier is chaos. Hier rijdt men in rijen van vier over een tweebaansweg. Hier heeft degene die het snelst kan optrekken voorrang. En het mag. Er is veel begrip voor andermans weggedrag, fouten worden snel vergeven en het is echt heel moeilijk om iemand boos te krijgen.

‘Maar het is wel gevaarlijk en onverantwoordelijk’, hoor ik mezelf zeggen. En toch, door dat gebrek aan orde en terechtwijzingen, krijgen mensen de ruimte om te leven, om fouten te maken, om adem te halen.

En zo lopen we dan in zonnig Rome, en staat daar midden op een zebrapad een auto geparkeerd. Ik krijg daar kriebels van in mijn buik. Ik mag dat namelijk ook gewoon doen, en dat voelt als vrijheid blijheid. Ha, zo doen wij dat hier! Niemand die erover zeurt, en ik ook niet. Terwijl ik er een paar maanden geleden nog een beschuldigend vingertje naar opstak.

Ik voel me verlost. En het smaakt naar meer. Niet meer foeteren op die buurman die zijn honden de hele nacht laat blaffen. Niet boos zijn als de vuilnismannen van het ophaalschema afwijken. En die man die in de file voorpiept via de vluchtstrook? Ik laat hem lekker zijn gang gaan.

Het is hier leven en laten leven. Soms sta je daardoor even stil op een witgestreept stukje weg. En dan kun je toeteren of lief zijn. Vaak wil ik doorrijden naar toeteren, maar kies ik op het laatste moment toch voor de afslag naar lief.

En spijt heb ik nog niet gehad.

RIP George Michael

Niemand leeft eeuwig. Er komt een dag dat het klaar is. Poef.

AHOY Rotterdam, 1988. We staan al uren voor de deur, mijn nichtje en ik, en als de poort eindelijk opengaat, stormen we als wilde stieren naar de voorste dranghekken. De adrenaline is hoog, de oestrogenen nog hoger, en we willen maar één ding: dat George Michael ‘I want your sex’ voor ons zingt.

Als eindelijk de lichten uitgaan en de begintonen van het eerste nummer klinken, kunnen we niet meer stilstaan. We zijn al zo lang verliefd, idolaat, aanbiddend. Het volume zwelt aan, de spanning stijgt, het lijkt eeuwig te duren. En dan, net als we denken dat we het niet meer houden, staat hij daar. Poef.

Ik gil hysterisch, heb mezelf niet meer in de hand. Alles komt eruit: mijn eerste zwemdiploma, de Avondvierdaagse, mijn eerste zoen, het Songfestival. Ik schreeuw mijn keelamandelen naar buiten en ik weet zeker dat hij naar mij wijst als hij zingt: ‘Baby, I’m your man!’

Mijn eerste vriendje lijkt op hem, dezelfde blonde lokken. We reizen naar Rio de Janeiro zonder geld voor een hotel, en zwemmen in de Amazone zonder inentingen. Gooien het matras naar buiten om onder de sterrenhemel te slapen. Springen in een rivier vol piranha’s omdat ons dat stoer lijkt. Rijden 220 km per uur op de motor en ’s nachts met de auto de skipiste af. Zitten in een langzaam zinkende houten roeiboot tussen de krokodillen. Zeven jaar verliefd, idolaat, aanbiddend. Hij leeft hard en ik doe mee.

Dan, in één jaar, sterven vier vrienden in drie verschillende auto-ongelukken, en hij is erbij. Hij lijkt op George Michael, maar wordt maar 26 jaar jong. Poef.

Rome, Kerst 2016. Ik loop met man en kinderschare door het park van Villa Borghese. Sophie rolschaatst, ze heeft zichzelf op een Olympisch trainingsschema gezet om de beste kunstschaatser ter wereld te worden. Haar broer helpt haar vallen en dat hoor je. Lauren rent achter haar vader aan, ze springen over muurtjes en kruipen door bosjes, op zoek naar Charmanders voor Pokémon Go. Om ons heen spelen straatmuzikanten Parijse chansons in een zachte winterzon. En George Michael gaat dood. Poef.

Na die ongelukken dacht ik nooit meer dat jonge mensen niet doodgaan. Sinds jaar en dag check ik ’s nachts of Arno nog warm is.
‘Ik leef nog, schatje’, zegt hij dan altijd.

Bij de kinderen voelde ik altijd of het dekbed nog bewoog, op het ritme van de ademhaling. En ik keek, zoog hun beeld op met een gulzigheid die ik nooit meer heb afgeleerd. Hoe ze speelden, hoe ze lachten. Ik maakte een thuis, koesterde mijn gezin alsof iedere dag de laatste was. Bij elk kruispunt in mijn leven koos ik de weg naar geluk, want ik wist dat er geen tijd te verspillen was.

30 december 2016. De muziek van Lars klinkt door het huis, zachte tonen van Frank Ocean. We zijn rozig van het struinen in de eeuwige stad. Kaarsen branden, papa belt, de meiden kruipen dicht tegen elkaar aan onder een deken. Ik ga zo appelflappen maken, de hond snurkt, het huis huist, de toetsen tikken.

Maak er een liefdevol 2017 van. Koester het leven en kies voor geluk.

Liefs, Angelique

Verdwaald in Nederland

Het is halfvijf ’s morgens, als ik mijn puber een kus op haar slapende hoofd geef. Ze schrikt op, mompelt ‘Koop appelflappenmix’ en trekt het dekbed weer over zich heen. De hond kijkt me meewarig aan vanuit haar warme mand.

Ik ga een weekend naar Nederland en ik ga alleen.

Koud

Het is fris in het vliegtuig, en ik houd de hele weg mijn jas aan. De koude boterham met kaas helpt om mijn lege maag te vullen, maar verwarmen doet-ie me niet. Op Schiphol stap ik op de trein, met rugzak en rolkoffer. Er hangt een bui in de lucht en, zo zag ik tijdens de daling, twee lagen wolken tussen mij en de zon. Als ik een half uur later in het centrum uitstap, zie ik een Starbucks. Verkleumd tot op het bot en verleid door de posters van Kaneelchoco en Speculaaslatte, bestel ik een koffie. In het Nederlands.

‘Een medium latte graag!’ Het komt heerlijk vloeiend mijn mond uit, mijn moedertaal.
‘Would that be all?’
Even ben ik in de war. Zie ik er niet meer Nederlands uit?
‘Nee hoor, dat is het.’ Ik spreek extra duidelijk deze keer.
‘Okay, that will be three euro and ninety five cents.’
Ik ben verbijsterd en duw net iets te hard mijn pinpas in het apparaat.
Ze geeft me de koffie.
‘Dank je wel,’ zeg ik nijdig. Ze kijkt me verontschuldigend aan en ik denk aan een complot.

Met in de ene hand een latte en en in de andere een ratelende rolkoffer en een telefoon, ploeter ik door naar de kapper, die ik op goed geluk geboekt heb. Hij zit mooi op de route naar mijn volgende bestemming. Helaas doet google maps raar, en ik zie dat ik al vijf minuten lang 200 meter van de kapperszaak af ben. Een bouwvakker kruist mijn pad en hij ziet er erg Amsterdams uit.

‘Kunt u me vertellen waar de Reguliersdwarsstraat is?’
Hij maakt een afwerend gebaar met zijn handen. ‘Sorry, no english.’
What the hell. Dit begint creepy te worden. Ik weet ondertussen voor vijfennegentig procent zeker dat ik Nederlands spreek.
‘IK SPREEK NEDERLANDS!’
De arme man deinst achteruit. Het Starbuckstrauma eist zijn tol.
‘No, no english.’, zegt hij angstig. Het is duidelijk dat ik onverstaanbaar ben. Ik ben een alien in mijn eigen land.

Ik ga even op een stoepje zitten, en puzzel uit wat er verkeerd is gegaan met de navigatie. Een paar minuten later ben ik op de goede weg, en al snel bereik ik mijn adres. Het blijkt een troosteloos vervallen zaak te zijn. Er hangt een bordje met ‘closed’ op de deur.

De moed zakt me in the shoes.

Snuffelbezoek

Vanaf de benedenverdieping klinkt een oorlogskreet, er wordt flink gevochten bij Mario Bros Super Smash. Het huis ruikt naar aftershave en deo. Drie paar jongensschoenen staan naast de schoenenmand, overal liggen opladers van telefoons en het voedsel is niet aan te slepen. Lars is hier, met neef Steef en vriend Iggy.

Ik glimlach en pak mijn tuinschaartje. Buiten is het knisperend weer, met blauwe lucht en net warm genoeg om zonder jas te zijn. Ik stap op een trapje en knip de citroenen uit de boom. Ze zijn eindelijk geel, na maandenlang voor limoen te hebben gespeeld. Zo vaak heb ik aan ze getwijfeld, gedacht dat ze nooit zouden rijpen. En nu pluk ik de vruchten en verbaas ik me over de bedwelmend zoete geur, telkens weer als ik er één losknip. Ik kan niet stoppen met aan ze te snuffelen.

Dat ze hun hele schooltijd zouden blijven huilen als ik ze in de klas achterliet. Dat ze voor altijd dat speentje zouden houden. Dat ze nooit door zouden slapen. Dat deze griep nooit over zou gaan. Dat de eerste kus nooit zou komen. Dat die opstandige puber nooit meer lief tegen me zou doen.

Het schreeuwen en de Mario-geluiden stoppen. Ze gaan op eigen houtje douchen, pakken de huispuber bij haar lurven en stappen met z’n vieren op de trein. Vandaag staat het Vaticaan op het programma. ’s Avonds treffen we ze op de Piazza Navona, om met z’n allen een hapje te eten. Ze hebben een roos voor me gekocht en ik smelt. Tijdens het eten kijk ik naar ze en geloof nog steeds mijn ogen niet. Wat een geweldige kerels. Stuk voor stuk.

En als ze dan zelf hebben ingecheckt, zelf hun tassen hebben ingepakt, op eigen initiatief de logeerkamers netjes hebben achtergelaten, en uit de auto stappen om hun eigen zaakjes weer te gaan regelen in hun eigen huizen, omarm ik ze nog een keer. Ik ruik de zoete geur van schone, sterke jongens en moet mezelf dwingen niet even te snuffelen.

Sterk spul hoor, die citroenen.

Hoe je in Rome een sportkeuring doet

Achter het vervallen winkelcentrum lopen we de trap op naar de Studi Medici, het medisch centrum van ons dorp. We worden ingehaald door een in leren broek gehulde jonge vrouw met lange zwarte haren. Ze rent de trap op alsof haar leven ervan afhangt. Als we boven via de witte hal door de glazen deur lopen, staat ze ons al tegemoet te hijgen achter de ontvangstbalie.

‘Buongiorno.’ Het komt er grieperig uit, en haar ogen zijn dik van het snot dat overduidelijk bezit heeft genomen van haar mooie hoofdje.
‘Buongiorno,’ zeg ik en ik laat haar mijn afsprakenkaartje zien. Ik ben hier voor een medische keuring, die verplicht is als je lid wilt worden van een sportschool in Italië.
‘We hebben geprobeerd u te bellen,’ zegt het meisje moeizaam, en ze pauzeert om even langdurig en luidruchtig haar neus te snuiten. ‘We wisten namelijk niet of u zou komen.’

Dat weet je hier blijkbaar nooit. Aan de ene kant is dat lastig, want degene waar je mee afspreekt is bijna nooit op tijd. Aan de andere kant haalt het een hoop stress uit het dagelijks bestaan, want zelf hoef je je ook niet druk te maken als je met je scooter in de file staat. Het komt morgen wel. En anders volgende week.

‘Ik ben er dus.’

En stipt om half elf natuurlijk, amateur-Romeinen die we zijn.
‘Ik zal dokter  Maurizio even bellen. Hij is weggegaan.’ Ze toetst een nummer in en ratelt sniffend wat in de telefoon. ‘Cinque minuti,’ zegt ze als ze ophangt.

Arno en ik maken het ons gemakkelijk op de rode leren bank, we nemen aan dat het de lange versie van vijf minuten zal worden. Wonderbaarlijk genoeg zwiert al heel snel de glazen deur open. Dan lijkt alles even in slow motion te gaan.

Een knappe man, met lichtgrijzende slapen en de uitstraling van George Clooney, waait de hal binnen. Hij draagt een bruinleren pilotenjack met stoere bontkraag en een strakke spijkerbroek. Als hij vriendelijk naar me lacht en me wenkt met hem mee te komen, hoor ik Arno achter me zachtjes ‘zooo, jij boft vandaag…’ sissen.

Het is koud in de behandelkamer, en de dokter blaast in zijn handen. Hij houdt zijn leren jas aan. Hij meet mijn bloeddruk, en doet er heel lang over. Eerst de ene arm, dan de andere, hoe hoog is uw bloeddruk normaal? Ik begin me ongerust te maken, en dan ritst hij gedecideerd de band van mijn arm en zegt: ‘We doen 80 om 120’.

Het klinkt een beetje alsof hij me een gunst bewijst.

‘Wat weegt u?
Ik noem mijn gewicht en hij lacht dat hij dat wel gelooft. Nog even een hartfilmpje, wat ook twee keer moet omdat ‘de printer raar doet’, en dan word ik naar de deur begeleid met het felbegeerde papiertje.
‘Il suo cuore è bene, uw hart is goed’, zegt hij nog even warm, terwijl hij licht mijn schouder aanraakt.

Er schuift geld over de balie en de dokter spoedt zich langs ons heen de deur weer uit. Als we ons door de kou de trap af haasten, op weg naar een warme koffiebar, houd ik mijn hart vast.

Garantie tot aan de deur.