Waarom Carlo me komt redden

Carlo is mijn hoop in bange dagen, want ik red het niet meer met mijn Duolingo-Italiaans. Je kunt geen grotemensenzaken regelen met een woordenschat op AVI-niveau.

Ik heb er niks aan dat ik weet hoe je ‘blauw’ schrijft, als ik in het gemeentehuis moet invullen wat mijn haarkleur is. Ik heb er nog minder aan dat ik weet wat een ‘mier’ in het Italiaans is, als ik bij de autodealer sta omdat onze auto vervangen moet worden. En breek me de bek niet open over de simpele dagelijkse taken, zoals boodschappen afrekenen bij de supermarkt.

Want dat is gewoon heel hard werken! Echt, als ik bijna aan de beurt ben, breekt het zweet me aan alle kanten uit. De mond van de kassière gaat namelijk al open zodra ze haar hand uitsteekt om mijn eerste boodschap over het scanvlak schuiven. En dan is het opletten geblazen, want Italiaans praat je niet, dat ratel je.

Er kunnen op dat moment twee dingen gebeuren: of ze vraagt me naar mijn klantenkaart, of ze vraagt of ik een tasje wil. En daar is meteen de eerste hindernis: de ene keer vraagt ze eerst naar het tasje, en de andere keer wil ze eerst mijn kaart zien. Ik ken alleen de woorden voor kaart en tasje. Dus span ik mijn nekspieren, spits ik mijn oren en houd ik tijdens de vraag mijn ogen angstvallig op haar lippen gericht, gespitst op De Twee Woorden: ‘tessera’ en ‘borsa’. Een soort supermarktbingo zeg maar.

Hoor ik ‘tessera’, dan zeg ik ‘no’, want die heb ik niet. Met mijn liefste glimlach hoor, want mijn gebrek aan verbale vaardigheden compenseer ik met geavanceerde lichaamstaal. Helaas is mijn ‘no’ blijkbaar raar, want ik zie op dat moment altijd een lichte verwarring in de ogen van de betreffende supermarktmedewerker. Misschien is het ‘not done’ om niet voor het geel-wit gestreepte dekbedovertrek te sparen. Of misschien vraagt ze ‘Mag ik uw kaart’, en dan is ‘nee’ ook wel een glashard antwoord.

Dan, korte of langere tijd na de vraag om de kaart, komt de vraag of ik een tasje wil. Aangezien ik altijd mijn eigen tas mee heb, moet ik hier eveneens ‘no’ op antwoorden. Dit doe ik blijkbaar ook op een vreemde manier, want als er al een glimlach is, is die tegen de tijd dat ik de ‘o’ heb uitgesproken ook weggesmolten.

Vervolgens roepen ze het bedrag. En weet je, ook als ze drieëntachtighonderd euro en 35 cent zouden vragen, zou ik triomfantelijk met mijn bankpasje zwaaien en het laatste woord uit de bingo roepen: “Bancomat!”. Want ten eerste versta ik niet wat ze zeggen en ten tweede weet ik zeker dat dit het goede moment is om te roepen dat je met je bankpas wilt betalen.

Met een achteloze zwier doe ik dan de swipe en de pin en vervolgens gooi ik zo snel mogelijk de boodschappen in mijn met roze tompoucen versierde Hema-tas. Overmoedig door opluchting roep ik dan nog even arrivederci, of ciao, maar ze zeggen nooit iets terug. Behalve de laatste keer dan, toen een jonge kassière me terugriep. Ik kreeg een kraslot in mijn handen gedrukt, en het arme kind sprak met bijna onmenselijke inspanning de nu al legendarische woorden: “You..winna..car”.

Bingo! Hoef ik gelukkig niet meer naar die autodealer.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

fourteen − 2 =