Italiaans gedachtenlezen

De man vóór mij stopt voor de zesde keer zijn pasje in de pinautomaat.
‘Nee’, zegt de kassière op vriendelijke toon, ‘het lukt niet’.
De wanhoop op het gezicht van de man is pijnlijk om te zien en ik voel met hem mee. We hebben allemaal weleens een rij supermarktbezoekers opgehouden omdat er iets mis ging met onze betaling.

Ik wacht geduldig af. Omdat ik nog steeds niet heel vaardig ben in mijn Italiaans, oefen ik alvast mijn conversatie met de kassa-mevrouw. Zeg ik buongiorno of buona sera? Het keerpunt ligt hier in Rome op het middaguur, dus ik kijk voor de zekerheid op mijn horloge.

Als ik weer opkijk vang ik de afkeurende blik van de vrouw.

Nee!, wil ik roepen, ik wil je niet haasten. Ik ben juist heel geduldig, ik begrijp het, ik voel met jullie mee!. Ik keek juist naar de tijd omdat ik een goede Italiaanse ingeburgerde wil zijn!

De man rekent contant af en ik zeg netjes buongiorno. Maar aan het gezicht van de kassière te zien heeft ze haar mening over mij al gevormd.

Denk ik.

En dat is stom, want niemand kan gedachtenlezen.

Hoe ik van een sopraan een alt werd

De familie van mijn moeders kant was ongewoon muzikaal. Elke verjaardag, zon-  en feestdag werd er gitaar gespeeld en gezongen. Ik was een van de jongste kinderen en hoorde helaas niet bij de beste zangers.

Ze waren zo gezellig, die middagen, het was altijd een groot feest. We maakten muziek, we dansten, we lachten. En ik zong zachtjes mee, liefst tweede stem. Al was er niemand die me hoorde in al die reuring.

Als ik met tegenzin de heuvel oploop, naar de school van mijn dochter, vraag ik me af hoe ik me in hemelsnaam in deze situatie gemanoeuvreerd heb. Ik wil helemaal niet naar koorrepetitie. Ik heb niet geoefend, ik vind het moeilijk en ik kan niet zingen.

En ik had het nog wel zo slim bedacht.

Het lijkt me namelijk, en dan heb ik het over een paar weken geleden, de ideale oplossing voor mijn uitdunnende kennissenkring tijdens schoolbarbecues. Bij de wisseling van het schooljaar verhuizen altijd veel van de expats, waardoor ik deze keer op het feestje welgeteld drie mensen ken. Terwijl mijn dochter zich vermaakt met haar vriendinnen, hang ik een beetje rond bij de gefrituurde inktvisringen.

Jaloers kijk ik naar Rachel, een flamboyante Amerikaanse. Ze is het stralende middelpunt van een grote groep mensen en ik herinner me dat ze bij het schoolkoor zit.

Halleluja.

Ik hoor in mijn hoofd de kwartjes vallen, dat is natuurlijk de oplossing! Een grote zaal vol vrouwen, wachtend om mijn nieuwe beste vriendinnen te worden. En zo makkelijk! Ik voel me behoorlijk tevreden met mezelf. Dat ik niet goed kan zingen vind ik een onbelangrijke bijkomstigheid; gewoon een beetje meepiepen en meemurmelen, in zo’n groep valt mijn stem toch niet op.

De realiteit is nogal anders. De grote zaal vol vrouwen blijkt een piepklein muzieklokaaltje te zijn, en het koor bestaat uit vier leden. Er is geen verstoppen aan, mijn meepieptechniek gaat niet werken. Ik moet zingen, en serieus ook.

Are you alto or soprano?’ vraagt Darren de Zangleraar, die zo Brits is als witte bonen in tomatensaus.

‘Sopraan,’ antwoord ik zelfverzekerd. Ik heb werkelijk geen idee. Een alto klinkt me als een struise dame met een lage, mannelijke stem. En vanochtend in de badkamer was ik nog steeds slank en huppelig.

Darren slaat de eerste akkoorden aan en de paniek slaat toe. Zo hoog. Ik piep een beetje mee, murmelen is geen optie en ik heb geen idee wat ik moet doen. De noten op de bladzijde dansen voor mijn ogen en het is allemaal heel erg kerks. Hymnen en psalmen waarvan de melodieën als een soep zonder recept door mijn brein klotsen.

‘Wanneer ben je alto?’ vraag ik, bij de tweede bijeenkomst.
‘Als je de hoge noten niet haalt,’ zegt Darren.
‘Ik ben alto,’ murmel ik, en zet mijn stoel aan de alto-kant van de kamer.

Maar dat blijkt nog moeilijker. Nu zing ik niet de hoofdmelodie, ik doe de riedel die de melodie begeleidt. Piepen hoef ik nu niet meer, dit lage gedeelte redt mijn stem wel. Het is nu voornamelijk mijn hoofd dat in de weg zit. Onzeker over de juiste noten, onzeker of ik niet vals zing. Had ik eerst mijn voet boven de rem, zet ik nu volledig de handrem erop.

Ik vind het echt niet leuk meer. Met lood in mijn schoenen loop ik deze vrijdag de heuvel dus op, vastbesloten dat het mijn laatste repetitie is.

Ik ga zitten op de houten stoel en Darren slaat de eerste noten aan. De sopranen zetten hoog in en wij alto’s doen de laag. We zingen dezelfde liedjes als altijd en ik begin warempel de melodie te kennen. En dan gebeurt er iets.

De pianolessen van vroeger komen terug, en de notensoep op papier wordt een heldere bouillon. Ook besef ik ineens dat ik gewoon tweede stem moet zingen, en dat ik dat al mijn hele leven doe. Ik voel waar ik laag of hoog moet, hoor hoe de andere alto me volgt en ga harder zingen. Als ik hoor hoe mijn stem een deel is van de perfecte harmonie van het koor van vijf, krijg ik duimendik kippenvel.

Als de laatste noot klinkt, kijkt Darren verbijsterd naar ons op.
That was good! That was really amazing!’

Ik glim. Halleluja, het is gelukt, ik zing in een koor. Met als bonus vier nieuwe vriendinnen, die nog gezellig zijn ook.

Als ik in deze roes de schoolpoort weer uitstap en de heuvel af loop, is er halverwege naar beneden een grote oproer. Iemand heeft de handrem van zijn witte Fiat Panda er niet opgezet, en deze heeft zichzelf nu achteruit tegen de zijkant van een witte BMW geparkeerd. Ik gniffel. Toeval bestaat niet, dat psalmen zingen werpt nu al zijn vruchten af. Dit is gewoon een boodschap van boven.

Mik op het hoogste en remmen is voor sukkels.

Hoe om te gaan met een bijna-leeg nest

Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik heb me er zo op verheugd, op het studentenmoeder spelen.

Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer met veel bier en met patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

Verdomme.

Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren, en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik besteld heb. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende studentenkamer en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer heeft gekieperd en mee naar Rome heeft genomen. Want helaas heeft ze geen waspoeder en geen schone kleren meer, en daarbij is ze uitgehongerd en brak. Ik kan haar wel zoenen.

Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken samen onder een dekentje naar Netflix, gaan uit eten in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

Het enige minpuntje is het afscheid.

Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen: het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nog een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

Verdomme.

Dat je dan ineens zit te liegen…

‘Het universum bestaat niet uit atomen, maar uit kleine verhalen’ – Muriel Rukeyser

Het is woensdagochtend als ik op weg ben naar de verjaardagslunch van een vrouw die ik nog nooit heb ontmoet. Op de stoel naast me staat een tas met cadeautjes, spullen voor haar huis dat ik nog nooit heb gezien. Ik weet niet hoe ze eruitziet en of ze wel van geurkaarsen houdt.

Ze is de nieuwste aanwinst in ons clubje Nederlanders, hier in Rome. En vandaag is ze jarig en haar man is er niet. Of ik gezellig kom lunchen, er komen nog drie andere vrouwen uit haar wijk, die ik niet ken. En A., die ik dan weer wel goed ken.

En zo zitten A. en ik dan zomaar op een woensdag in een Ierse pub, te kletsen met een blonde Zweedse vamp die echt alles weet van iedereen. Met een mooie wilde Nederlandse, die op haar achttiende als au pair kwam en nooit meer wegging. En met een heel charmante Italiaanse stewardess.

De jarige lacht veel en hard en strooit met knuffels. Ik vind haar nu al leuk.

Als ik daar zo zit, midden op de dag met een glas witte wijn in mijn hand, waan ik me in een aflevering van ‘Sex in the City’. Maar dan de Italiaanse versie.

Want ondertussen worden er in rap Italiaans nieuwtjes uitgewisseld met de restauranteigenaren, wordt er per mobiel olijfolie besteld bij vrienden die net hebben laten persen en echt ‘de beste’ in de omgeving hebben, terwijl een ander per telefoon informeert over een huis dat te huur staat. Iemand heeft het over een feestje organiseren, verhalen van scheidingen en liefdes worden verteld, en het gesprek dwaalt af naar het onderwerp vertrouwen.

‘Ik ben gewoon heel naïef,’ zegt A. ‘Ik neem altijd aan dat anderen eerlijk zijn, omdat ik zelf ook nooit lieg.’

Daar twijfel ik geen moment aan bij haar. Wel denk ik meteen aan die ochtend, ik op mijn laptop, de hulp stofzuigend om me heen.

Ah, patattina!’ hoor ik haar naast me roepen. Ze aait voor de zoveelste keer mijn hond en vraagt alweer iets aan me. Ik zit nog met mijn hoofd in de laatste zin die ik aan het schrijven was.
Si,’ antwoord ik, naar haar opkijkend terwijl haar vraag in mijn hoofd nagonst. Als ik hem terugspeel realiseer ik me dat ze vroeg of Mikki weleens zwanger is geweest, wat dus echt niet zo is.
Maar ik heb al ‘ja’ gezegd. Ik voel me stom en dat is waarschijnlijk waarom ik doorjok.
Tre bambini, drie kindjes, due femmine e un maschio.’ Ik zeg het zonder blikken of blozen. ‘Twee vrouwtjes en een mannetje. Maar nu niet meer.’ En ik maak een schaarknipbeweging met mijn vingers.

Anyway.

De hele weg terug zing ik hard mee met de radio. Want ook ik kreeg bij de verjaardagslunch dus gewoon een hoop cadeautjes. Zoals de geur van geroosterde tomaten met een vleugje tijm en basilicum. De lach van de jarige toen ze haar deken voor de barre Romeinse winter uitpakte. Het warme licht van de najaarszon op het tentdoek boven ons.

Als je er echt op let, is de waarheid vaak veel mooier dan je kunt verzinnen.

 

Over mijn romance met de Zwembadfluisteraar

Ik rij nú met een plasje naar de zwembaddokter,’ app ik een vriendin.

Als echte Romeinen ontvluchten we in juli de hitte van Rome. We gooien een emmer chloor in het zwembad en hopen er het beste van. Als we na een maand terugkomen, is het buiten 42,5 graden en is het water dat ons moet afkoelen groen.

Bedachtzaam loopt mijn man, gewapend met een teststrip, naar de met Italiaans marmer versierde badrand. Hij wrijft over zijn stoppelbaard en stroopt dan zijn mouw op tot boven zijn elleboog, om vervolgens de teststrip in het moeras te dippen. Als hij hem er weer uithaalt, kreunt hij. Het is niet goed. De chloor- en zuurwaarden zijn totaal uit balans, wat betekent dat bacteriën en andere nare organismen vrij spel hebben. Ons bad is ziek.

Gelukkig is thuisdokter Arno voorbereid. Hij bracht een paardenmiddel mee uit Amerika: drie flessen shocktherapie voor zwembaden.
‘Over een paar uur, hooguit een dag, zal het water weer blauw zijn. Alles wat het water ziek maakt zal in één keer doodgaan,’ bezweert hij mij. ‘Morgen zwemmen we weer.’

Maar de ziekmakers sterven niet. Het water is geen water meer, het is een gemuteerd groen monster geworden. Een monster dat immuun is voor chloor. Ons zwembad is de waterige versie van de Hulk, gevaarlijk en nou ja, groen dus.

‘Het komt wel goed,’ zegt mijn man. ‘We moeten geduld hebben.’

Maar de volgende dag gaat hij op reis en laat mij achter met een hittegolf en een ziek zwembad. Ik heb niet zoveel geduld en doe wat ik als moeder al talloze malen gedaan heb: ik rij met een plasje in een potje naar de zwembaddokter, oftewel het plaatselijke tuincentrum. Zij weten vast wel wat er mis is.

‘En?’ vraagt de vriendin. ‘Wat zeiden ze?’
‘Het is erger dan we dachten,’ app ik terug. ‘De enige oplossing is een transfusie. De helft van het water moet eruit.’

En zo klim ik, thuisgekomen, in de bak van de installatie die het water rondpompt. Terwijl ik de zweetdruppels van mijn voorhoofd veeg en de muggen van me afsla, zet ik kleppen dicht en open, druk op hendels en draai aan schakelaars.

En zo stroomt het zwembad langzaam leeg.

Als de bak halfleeg is, zet ik het infuus aan. Uit drie slangen stroomt nieuw water de groene smurrie in. Het duurt een dag, en als mijn man weer thuis is, is het bad weer bijna vol en iets lichter groen.

De mouw van de Man wordt weer opgerold en de met lichtgouden krulletjes behaarde arm gaat het groene water weer in. Het is nog steeds niet best en mijn thuisdokter dient meer medicijnen toe: liters vloeibare chloor en ph-verhoger. Daarna loopt hij dagenlang met een bruin ontbloot bovenlijf van pomp naar bad, van filter naar tuinslang en borstelt met lange halen urenlang de bodem. Ik kijk vanaf het ligbed intens toe.

Het groen verdwijnt, maar het blijft een troebele zooi. Talloze testjes wijzen uit dat het chloor het niet houdt. De algen blijven winnen. We testen, balanceren, vullen water bij, legen weer en blijven verliezen.

Twaalf dagen verstrijken, tot ik het niet meer kan aanzien.

‘We gaan het niet redden!’ roep ik op een ochtend. ’We moeten specialistische hulp inschakelen!’ Wanhopig trek ik aan zijn sterke arm, in een poging een eind te maken aan deze waanzin.
‘NOOIT!’, roept hij terug. ‘We moeten volhouden!’
Mijn hart breekt als hij mij voor het eerst van zijn leven van zich afschudt. Dan kijkt hij me diep in de ogen, en het is alsof ik recht in zijn ziel kijk.
‘Heb vertrouwen.’ Zijn stem klinkt hees. ‘Het komt echt wel goed.’

En inderdaad, op een mooie ochtend zien we de tegels op de bodem weer.

We winnen. Het water wordt helder en het chloorpeil stijgt. We kunnen het bijna niet geloven, maar na twee weken is het eindelijk zover. We kunnen weer zwemmen. Van blijdschap trekt Arno me in zijn armen en ik snuif zijn mannelijke after shave op. Als de dag zijn einde nadert, dobberen we eindelijk weer naast elkaar in het koele water.

‘Shocktherapie is geen product, het is een proces,’ zegt mijn zwembadfluisteraar, sippend aan een koud biertje terwijl hij bedachtzaam voor zich uitstaart. ‘Je denkt dat er shit in het water zit, maar het is het water zelf dat moet veranderen.’
Ik heb geen idee waar hij het over heeft, maar hij zegt het zo mooi.
‘Zoiets als de transformatie van de Hulk?’
Hij kijkt me aan, met een broeierige blik, en fluistert: ‘Ja, baby. Zoiets als de Hulk.’

Ik duik het blauwe water in om af te koelen.

Waarom ik bang ben voor de ochtend

‘Als ik morgen opsta laat ik honderd procent zeker het alarm afgaan,’ zeg ik.

Gelaten kijk ik mijn dochter aan. Ze zucht, kent me al langer en weet dat het waar is. Ik ben zo vaak vergeten het alarm eraf te halen voor ik de buitendeur open doe. Dan pakt ze me bij mijn schouders.

‘Luister mam. Leg een voorwerp neer op een rare plek. Hang daar een sterke gedachte aan, zoals ‘haal het alarm eraf’. Als je morgen wakker wordt en je ziet dat voorwerp, zal je er weer aan denken.’

Terug van weggeweest
We zijn weer thuis. Na een vakantie van vijf weken in Nederland en Amerika, zijn we weer neergestreken in Rome. Vijf weken van moeiteloos uit mijn woorden komen, begrepen worden. En ik maak me nu al druk om morgenochtend. Dat ik het alarm er vergeet af te halen en dat ik dan de vigilanza moet bellen, dat het vals alarm was. Want dan moet ik namelijk mijn huisnummer zeggen, 55b2, oftewel cinquantacinquebiedue.

En daar zit een klein traumaatje.

Picture this:
Met zeven Nederlandse vrouwen in een gehuurde bus. Ik, al een jaar in Rome wonend, en de anderen die bij me logeren. We zijn gezellig de stad in geweest, voor een drankje en een lange wandeling.

Als onze Bob door de slagbomen van mijn wooncomplex wil rijden, herkent de bewaking de huurauto niet. Wat we komen doen? Vol bravoure draai ik mijn raampje open en als de man mij niet schijnt te herkennen gooi ik ter identificatie mijn huisnummer eruit.

Cenqintocaque, eh, canqientocinque, eh, conquanticenque..HÈ SHIT!
De andere zes vrouwen liggen al onder de stoelen van het lachen.
‘Haha An, gaat lekker!’
Met een rood hoofd ga ik stug verder.
Cinque..can..cenquate..mijn god. I LIVE HERE!’

De meiden gillen het uit. De jonge man lacht mee, geeft ons een plattegrond van het park en begint rustig uit te leggen hoe ik naar mijn eigen huis moet rijden.

Met de moed der wanhoop gooi ik er nog uit dat ik hier woon. ‘Habito qui!’

Het komt niet meer aan. Een combinatie van de slappe lach, een slechte uitspraak en een Italiaan die het allemaal te leuk vindt, maakt dat we uiteindelijk toch de volledige routebeschrijving én een bonusknipoog krijgen.

Het hele verdere weekend pesten ze me ermee.

Ochtend
De wekker gaat en ik rol mijn bed uit. Mikki moet eten, even koffie zetten, het is vandaag niet zo warm in huis. Zou het chloor de algen in het zwembad al hebben opgegeten? Ik zoek het testsetje, vind het op een rare plek en gooi de deur naar het terras open.

WIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOE

Ik weet dat mijn dochter boven met haar ogen rolt en toets het nummer van de vigilanza in.
 
‘Buongiorno!’
‘Buongiorno, false alarme, canquintoconquebadua.’
‘Prego.’

Ook zij kennen me al.

Mijn romeinse droomhuis

Het is een komen en gaan, in ons Casa Paradiso.

Kinderen, familie, vrienden, ze stromen mijn logeerkamers binnen en zijn er slechts met moeite weer uit te jagen. De een zit de hele avond onder het afdak op de luie bank, luisterend naar muziek, genietend van een glas wijn en de vleugjes Jasmijn uit de struiken. Anderen willen de hele dag volleyballen, kaarten en badmintonnen op het met klavertjes bezaaide grasveld. Je hebt de Linda-lezers die de bedden bij het zwembad bezetten, de Ontdekkingsreizigers, die met belegde broodjes Rome intrekken en vol verhalen weer aanschuiven bij de avondkoffie en als klap op de vuurpijl zijn daar de Terras-hangers, waar we ellenlang mee barbecueën en over de zin van het leven praten.

Tussendoor hangen de witte lakens schoon te kraken in het warme briesje, draaien de badhanddoeken overuren in de droogtrommel en slaakt de koelkast een zucht van opluchting, verlost van de extra boodschappen. Het weer is zomers en de tuin ontploft. De granaatappelboom bloeit, de kersenboom heeft al zijn kersen gegeven en de vijgen hangen al een maand lang bijna rijp te zijn. Playing hard to get, I guess.

De vuilnis is al een paar weken niet opgehaald en de overvolle bakken langs de straat zijn een luilekkerland voor ratten en wilde zwijnen. De muggen hebben zich in stilte vermenigvuldigd en laten zich maar moeilijk van ons terras en uit de slaapkamers jagen. De mieren trekken op langs de muren en het is heet, het is droog en het is vies. Ik hou er zo van. Van het huis en van de stad die in een jaar tijd zo aan me gegroeid is.

Uren kan ik slenteren door de straatjes, langs de winkels en de terrassen, elke maand vergezeld door een andere geur. Vorige maand was het de Jasmijn, die overal en altijd was en deze maand is het de Oleander-lucht die met me meereist. In de bloembakken aan de balkons van de okergele huizen bloeit van alles, en alle bloemen worden mooier tegen de eeuwenoude muren van betoverend Rome.

Ik hou van de ochtend, waarin ik de openslaande deuren opengooi en de tuin met z’n palmbomen en olijfbomen me goedemorgen wenst. Ik hou van de middag, als mens en dier zich verstoppen voor de hitte en alleen de bomen onversaagd de wacht blijven houden. Ik hou van de avond, net voor de zon ondergaat, wandelend in de koele avondbries. Het geluid van de stemmen uit de tuinen, de pannen in de keukens, de spelende kinderen op het gras.

En ik hou van de mensen, met de vriendelijkheid in hun ogen. Hun leven-en-laten-leven-houding, hun oog voor de schoonheid in alles, hun weigering om korte broeken te dragen, hun liefde voor kinderen en dieren, hun onvermogen om te haasten, hun voorkeur om op de stoep te parkeren in plaats van in de parkeergarage, hun onoplettendheid op de weg, hun acceptatie van wat niet te veranderen is, hun lange lunches met wijn en pasta.

Ooit vertelde iemand me dat je op moet passen met wat je wenst, omdat als je hart eenmaal weet wat je het allerliefste wilt, je er onverbiddelijk op af koerst. Zo plakte ik jaren geleden plaatjes uit tijdschriften op een groot blad, plaatjes van mijn ideale leven. In het midden tekende ik een rood hart met een schrijfveer erdoorheen. Ergens in een hoek plakte ik mijn droomhuis en vreemd genoeg ook een detail van de Sixtijnse kapel. Ik droomde van een fijn familiehuis, met een boomgaard en een buitentafel die steeds gevuld was met mensen die me lief waren. Waar ik een rustige plek had om te schrijven en waarvandaan ik eindeloos op avontuur kon.

Het was ons Casa Paradiso. Het huis waar iedereen graag komt en waar wij voorlopig niet vandaan gaan.

Hoe het werkt bij de kapper in Rome

Ik heb een diepgewortelde aversie tegen het praten over koetjes en kalfjes. Tegen het zeggen van zinnen die al miljoenen keren gezegd zijn.

‘Lekker weertje hè?’
‘Wat eet je vanavond?’
‘Het wordt een mooie dag zo te zien.’
‘Heet hè, die zon.’
‘Wat wordt het alweer vroeg donker hè?’

Ik weet dat dit soort gesprekken het smeermiddel van je sociale leven zijn. Maar ik ben er gewoon niet zo goed in. In tegenstelling tot Arno. Die kan het zelfs in het Italiaans. Stapt-ie uit de auto om een kilootje kersen te kopen bij een stalletje langs de weg, blijft-ie een kwartier weg. En maar zwaaien met z’n armen, en lachen en die verkoper die hem dan joviaal op zijn arm slaat. Nieuwe beste vrienden. En dan glijdt-ie met een glimlach weer naast me op de passagiersstoel, kilo kersen op zijn schoot.

‘Waar hád je het over?’
‘Oh gewoon, waar hij woont en waar ik woon en dat Rome leuk is.’

En dan is hij de gevierde man en ik de arrogante bitch. Maar ik wil het gewoon niet. Ik wil praten over de olifant in de kamer. Ik wil praten over hoe die man daar op straat achter dat stalletje terecht is gekomen. Wat zijn zijn dromen, hoe ziet hij de toekomst, wat vindt hij van de zin van het leven? Vraag dat maar eens in het Italiaans, terwijl je je autosleutels en je plastic zakje met kersen vasthebt en in je rugzakje graaft op zoek naar drie cent omdat hij geen wisselgeld heeft. Dus zeg ik maar niks. En bedank met mijn vriendelijkste glimlach voor de zakelijke transactie. Terwijl de man zich alweer heeft omgedraaid naar de volgende klant, die wél over het weer praat en zijn nieuwe beste vriend kan worden.

En zo loop ik al maanden met dooie puntjes. Want de kapper hè, dat is de broedplaats van de gezellige kleine praatjes. Toch moet ik eraan geloven, en ga met Arno mee naar zijn kapsalon.

Als we binnenkomen, zitten er veel mensen te wachten. Arno is niet onder de indruk.

‘Is Jessica er?’

Jessica is de bazin, en ze knipt nog zelden. De eerste keer dat mijn man hier was, kreeg hij haar per ongeluk persoonlijk achter zijn stoel. Bij gebrek aan de woorden voor lekker kortknippenstoer, en goddelijk, liet hij haar een foto van George Clooney zien. Het moet een schouwspel geweest zijn. Vijf Italiaanse kapsters en drie mannelijke die in rap Italiaans Arno, zijn kapsel, George Clooney en het feit dat hij piloot was bespraken. Gierend van de lach. En Arno had acht nieuwe vrienden. En een hernieuwde George Clooney-look.

En ook vandaag komt Jessica, speciaal voor haar beste vriend George, direct haar kantoor uitschrijden. Hij mag, in plaats van op de wachtstoelen, direct plaatsnemen voor de spiegel. Ik niet. Al wachtend kijk ik verveeld wat rond en doe de volgende observaties:

  • Alle vrouwen zitten met een trieste blik met goudblonde verf in het haar naar zichzelf te staren.
  • Tijdschriften en koffie worden niet verstrekt.
  • Alle mannen die binnenkomen om geknipt te worden zien eruit alsof ze net bij de kapper vandaan komen.
  • Kletsen is not done. De klant kijkt met een duckface in de spiegel en de kapper knipt in opperste concentratie wat in het wilde weg. Dit is duidelijk serious business.

Het ziet er gunstig uit voor mij. Geen small talk.

Ik word in een kimono gehesen en in een zak op mijn mouw wordt een briefje met mijn naam en gewenste behandeling gestopt. Mijn kapster neemt me mee naar de wasbakken en wast en masseert in alle rust, met cirkelende bewegingen, mijn hoofdhuid. De shampoo ruikt verdacht veel naar Zwitsal, en ik voel me veilig en geborgen.

Liefdevol kamt ze daarna mijn haren en loodst me vervolgens aan mijn arm naar de knipstoel. Daar zet ze drie knippen en gebaart dat ik moet gaan staan. Zo knipt ze de achterkant en duwt vervolgens zachtjes mijn hoofd naar voren en beneden. Daar sta ik dan, kijkend naar mijn bruine knieën, en ik snap het gebrek aan gesprek. Ik mag weer gaan zitten en voor ik het weet blokt het geblaas van de föhn alle mogelijkheid tot vriendelijk geklessebes.

En dan is het klaar.

Ik sta op en moet een best aanzienlijk bedrag betalen voor een hoofdwasje, vijf knippen en een stroom gebakken lucht. Mijn haar is steil en niet veel korter, maar de kapster lacht tevreden. Als ik samen met Arno de zaak uitstap, roept al het personeel tegelijk ciao, arriverderci of salve naar hem. Ik maakte nooit een kans.

De volgende dag lunchen we met vrienden. De tafel staat aan de rand van een idyllisch meer, waar kleine zeilbootjes overheen scheren. De wind waait ons haar door de war, de wijn geeft rode blosjes en het is zo ontzettend gezellig. We praten over onze dromen en verlangens, over jaloezie en angsten, over emigreren en over hoe dankbaar en gelukkig we zijn dat we op deze prachtige plek mogen wonen. Ik voel me helemaal in mijn element.

De Italiaanssprekenden onder ons worden vrienden met de ober en ik bewonder hen om het gemak waarmee ze in een paar zinnen verbinding kunnen maken. En ik vergeef mezelf.

Want ik vaar gewoon niet zo goed op de oppervlakkige wateren. Ik ben meer een diepzeeduiker.

Koningsdag in Rome

De verzekeringsmevrouw belt: de koerier die de papieren voor de auto komt afleveren kan ons huis niet vinden. We voorzien haar van nog duidelijker instructies.
Grazie!’, zegt ze. ‘Ik geef het door! Laten we duimen dat ze nog niet aan het lunchen zijn.’
Dat zijn ze blijkbaar wel. De koeriers komen niet meer. Ik heb een visioen van Mario en Luigi die met een wijntje uit zitten te buiken achter hun pasta.
‘Ah, die Olandesi he? Nee, daar gaan we niet meer heen, geen zin meer, basta.Morgen misschien weer. Of overmorgen.’

En zo zitten we al dagen aan huis gekluisterd, terwijl de postbode ook al drie weken niet meer is geweest. Ik voel een onbedwingbare behoefte opborrelen om me vol te gaan proppen met Nederlandsheid. Me tegoed te doen aan een flinke dosis zakelijkheid, overgoten met daadkracht, afgemaakt met een toefje stiptheid. En ik weet ook waar ik het kan halen: de Koningsdagreceptie op de residentie van de Nederlandse ambassadeur.

De dresscode is ‘elegant with a touch of orange’ en terwijl ik de uitnodiging nalees belt Anna: zij en Maaike gaan ook. Anna heeft een kekke oranje blouse met tulpmotief gekocht in het dorp, en haar kennende weet ik dat-ie elegant is. Ik duik de verhuisdoos met oranje feestspullen op en kieper ‘m om. Voor me liggen plastic toeters, oranje clownspruiken, een nep-leren Heinekenjurk met een sexy decolleté en een bodysuit in de kleuren van de Nederlandse vlag. Ik twijfel. Dan besluit ik een bloemenmuts te slopen en prik een van de nep-tulpen op mijn witte jasje. Mijn prins speld ik er ook een op en zo stappen we elegant de auto in.

Bij de poort van de ambassadeurswoning worden we ontvangen door twee nette meisjes en onze naam staat keurig vermeld op de gastenlijst. De ambassadeur zelf staat met zijn vrouw en andere belangrijkheden strak opgelijnd. Het begint goed, mijn behoefte aan structuur geniet van al dit lekkers. We schudden handen en betreden daarna het feestelijk versierde landgoed.

Meteen stuiten we op een kluitje Nederlandse vrienden, de Heineken bierbar en een dienblad met bitterballen. We hadden het niet beter kunnen plannen. Na de toespraak van de gastheer zingen we het Wilhelmus, met de hand op het hart. Er zijn puntzakken patat, poffertjes en sateetjes met pindasaus. Iedereen staat geduldig in de drie rijen, en ondanks de drukte gaat alles heerlijk snel en soepel. De dames bij de sponsortenten van Rabobank en Philips glimlachen verleidelijk, ze stoppen ons cadeautjes toe en wij laten ons verwennen. We drinken goed en eten veel en ik denk aan remigratie.

Als we dan, knabbelend aan een Magnum-ijsje, teruglopen terug naar onze auto’s, voelt de avond zwoel en knikt de bewaker bij de poort ons glimlachend toe.
Buonasera’.
Zijn ogen stralen vriendelijkheid uit en hij staat daar zo heerlijk op zijn gemak te zijn. Ineens weet ik weer waarom deze mensen en dit land zo in mijn hart zitten. Een schuldgevoel over mjin oranje vreetbui overvalt me. Het is net als na een Big Mac-menu: ik vreet me vol en daarna heb ik altijd spijt.

Morgen eten we weer gewoon pasta.

Spraakverwarring

Ik rij op de Via Cassia als mijn telefoon gaat.

Op het scherm staat dat het Sylvia is, de mevrouw die onze auto op Italiaanse kentekenplaten aan het zetten is. En ze spreekt geen woord Engels. En ik nog steeds zeer weinig Italiaans.

Even overweeg ik om niet op te nemen. Maar ik rij in een huurauto omdat we niet meer in onze eigen auto mogen rijden, dus het is zaak dat die mevrouw voortmaakt. En Arno zit ergens in het verre, verre Oosten. Negeren is dus geen optie.

Pronto!

Zo neem ik op. Heel cool en heel Italiaans. Ik kan het ook heel goed uitspreken, net als grazie’, arriverderci en va bene. De valkuil is echter, dat men, omdat ik deze basiswoorden zo onwerkelijk goed uitspreek, denkt dat ik de taal machtig ben. Terwijl ik die totaal onmachtig ben. Ik ben verbaal hulpeloos, als een baby die wil eten en alleen ‘wèèèè’ kan zeggen.

Sylvia weet gelukkig dat ik Nietaliaans spreek. Ze praat tegen me alsof ik doof ben.
‘Jouw auto naar keuren. Jij op vrijdag naar garage. Jij Arno zeggen hij naar mij komt op donderdag. Vier uur.’
Ik zoek naarstig naar het woord voor ‘waarom’: por que, pourquoi, why, warum, ze liggen allemaal gedienstig klaar op mijn tong. Maar het goeie zit er niet bij. Ik ken zoveel talen en ben toch zo stom.

Dus ik zeg maar si, hang op met een voortreffelijk uitgesproken ciao en realiseer me dat Arno pas op vrijdag thuiskomt. Nu heb ik een afspraak voor hem gemaakt op een dag dat hij er niet is, terwijl ik geen idee heb waarom hij er moet zijn.
‘Gaat lekker mam,’ zegt mijn dochter droog. Ik haal mijn schouders op. De zon schijnt en er zijn heel veel talen die ik wel goed spreek.

Het is gewoon de schuld van al die leuke niet-Italianen die hier wonen. Die Nederlandse en Ierse expats waar ik mee hang en carpool. Die leuke KLM-collega’s waar we zo gezellig in ons moerstaal mee borrelen en dineren. Italiaanse B en C die zo goed Engels spreken en alles voor ons vertalen. Al dat bezoek uit Nederland waar ik natuurlijk ontzettend veel Nederlands mee moet kletsen.

Gelukkig heb ik Lucia. Mijn yogalerares spreekt geen woord over de grens. En ze praat heel veel, veel meer dan ze oefeningen doet. Daarom spreek ik nu een aardig woordje Spiritaliaans. Ik weet de woorden voor ontspannen, in- en uitademen, loslaten, balans, zweven, hart, rustig en stil. En dat zijn eigenlijk alle dingen die ik hier kwam zoeken. Oh en ‘vazjína’, dat zegt ze ook heel vaak tijdens de ontspanningsoefeningen. Dat vind ik dan wel weer een beetje ongemakkelijk.

Ik ga gewoon aanstaande donderdag naar Sylvia en leg heel ontspannen uit dat ik in mijn hart weet dat ik de Italiaanse cultuur meer moet gaan inademen, maar dat ze het misschien moet loslaten. Dat Arno ergens volkomen in balans boven de oceaan zweeft, dus even niet hier en nu is. En dat ik een vazjína heb dus geen verstand van garages. Da’s ook altijd een fijn smoesje.

En dan is alles weer heerlijk ultimo tranquilo. Toch?