Hotel Mama

Ik ga even op tekenexpeditie!, roep ik naar mijn huisgenoten, voordat de deur met een klap achter me dichtslaat. Het is winderig in de hal van het appartementencomplex.

Binnenshuis voelt het óók stormachtig vandaag. De studentendochter heeft veel te regelen en heeft me daarbij vaak nodig. Een standby hulptroep ben ik. Een rol die ik mezelf in 24 jaar moederen heb aangemeten, want wie wil er nou niet onmisbaar zijn?

Maar de laatste tijd voel ik steeds vaker dat het tijd wordt om de deuren van Hotel Mama te sluiten. Heel zachtjes.

Dus prop ik mijn schetsboek en pennetjes in mijn mini-rugzak, spring ik op mijn fiets en trap ik tegen de wind in naar de binnenstad van Delft. Ik kijk aandachtig om me heen, op zoek naar huizen waar ik een kriebel van krijg.

Net achter de Nieuwe Kerk vind ik het: een schattig hotel, in rood- en oranjetinten. Ik installeer me op het bruggetje ertegenover en zo verdwijn ik twee uur lang in het precies natekenen van de lijnen waaruit het hotel bestaat.

Als de meewind me weer naar huis heeft gebracht, heeft het kind alles natuurlijk piekfijn geregeld. Zonder mij. Op dit moment is het voor iedereen blijkbaar beter dat ik een hotel teken, dan dat ik er één ben.

 

HET JAAR DAT MIJN NEST LEEGLOOPT EN IK OP SNODE PLANNEN BROED

Deze september beland ik in een nieuwe fase van m’n leven: de fase van het lege nest.

En bij de start van het schooljaar, als KindNr3 op de trein stapt naar Leiden, vlieg ik in mijn eentje naar Rome, terwijl de Man in Nederland achterblijft voor een 14-daagse cursus. En laat ik de Hond ook nog achter. En zit ik daar. Alleen te zijn. In m’n uppie. In m’n lege nest.

De eerste avond plof ik al om half vijf voor de televisie neer met Joppiechips en stokbrood met aïoli. En Sangria, wat ik normaal nooit drink. Om negen uur ben ik de televisie zat en misselijk van die vieze stinkchips en sjok ik naar bed. Niemand vindt het ongezellig. Niemand houdt me wakker met Chance the Rapper. Niemand vraagt of ik weet waar haar zwarte broek is.

Ik slaap als een pasgeboren baby op de Sangria, maar als de wekker gaat fluistert het lege huis dat ik beter kan blijven liggen. Ik draai me nog een keer om, maar een laatste restje wilskracht vlamt in me op en praat op me in. Dat ik hier juist naar uitkeek. Dat ik de hele dag kan doen wat ik wil en dat ik nog zoveel wil. Dat er werk op me wacht.

Zuchtend gooi ik mijn benen over de rand van het bed en blijf zo zitten, mijn blik op mijn slappe buik, mijn schouders op standje moedeloos.

Dit is het. Dit is de rest van mijn leven. (Sidenote: dit is licht overdreven want ik heb een smeuìge echtgenoot en waanzinnig leuke kids, maar ik wilde even de sfeer schetsen)

Ik laat m’n benen op de grond zakken – ik heb een heel hoog senioren-achtig bed – trek m’n trainingsbroek aan en doe mijn ochtendwandeling, zonder hond. Het is minder leuk, maar ik doe ‘m wel. Thuisgekomen doe ik mijn oefeningen, douche ik koud en eet ik een halve meloen met wat noten.

Ik voel me al een stuk beter.

Maar de leegte blijft aan m’n hoofd zeuren. De hele dag. Het zit vanbinnen, in m’n maag en in m’n longen, alsof ik een stofzuiger heb ingeslikt die even lekker grondig de boel vacuüm trekt.

Want het is een feit: Hotel Mama is na veel succesvolle jaren definitief gesloten. Mama kan gaan vliegen, maar mama’s vleugels zijn een beetje stijf van 24 jaar in en om dat nest heen scharrelen.

En ik heb echt niet stilgezeten. Ik volgde teken- en schilderlessen, deed een gedegen schrijfopleiding, studeerde serieuze psychologie, schreef wat verhalenboekjes, was freelance redacteur, gaf wat kindertrainingen en had tussen neus en lippen door een eigen coachpraktijk. En toch kreeg ik regelmatig de vraag ‘wanneer ik weer ging werken’. Waarschijnlijk omdat ik mezelf nooit echt als een werkende zag. Ik was vooral een mama.

Ik zet een pot thee en hoor de stilte, en al sippende in mijn heerlijke huis en in mijn heerlijke leven voel ik het opkomen: zo’n gevoel van ontlading, bevrijding, zin in wat er komt. En dan besluit ik het: dit wordt mijn jaar.

Dat boek uitgeven. Goeie en gezonde leefgewoontes maken en volhouden en dan een online cursus erover maken. Uitvinden wat ik nou echt nog zelf wil en daarover bloggen. In één jaar tijd mega-succesvol worden, wat succes dan ook is, en daarmee anderen inspireren. En die camper bij elkaar sparen, zodat ik overal en altijd kan tekenen en schrijven. Vrij.

Vanaf vandaag ga ik deze blog bijhouden met mijn schrijfsels, aangevuld met tekeningen en overgoten met wat psychologerij. Wil je me zien struikelen, vallen, opstaan en weer doorgaan? Lees dan lekker mee. Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe verhalen of tips en inspiratie om ook uit te vliegen? Schrijf je dan in voor mijn nieuwsbrief. Als bonus krijg je gratis drie van mijn illustraties digitaal in je inbox, om uit te printen en in een lijstje te doen.

We gaan van start! Eén ding weet ik zeker: dit wordt het jaar van nieuwe kansen. Voor ons allemaal.

 

Liefs, Liek.

Avi-fauna

De vrouw slaapt.
Het kind o-pent de deur.
‘Mama, ik heb pijn.
Er is een beest in mijn bed.
Het bijt.’
De vrouw staat op.
Ze loopt naar het bed van het kind.
Er zit een beest in het bed.
Een eng beest.
De vrouw spuit met gif.
Het beest gaat niet dood.
De vrouw roept de man.
De man is boos.
De man komt ook.
Hij pakt een stuk pa-pier.
Hij maakt het beest dood.
Hij gaat naar bed.
Het kind gaat naar bed.
De vrouw gaat naar bed.
De wek-ker gaat.
De vrouw is moe.
Ze geeft de hond voer.
De hond kotst.
De vrouw lacht.
Maar niet heus.

Hoe om te gaan met een bijna-leeg nest

Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik heb me er zo op verheugd, op het studentenmoeder spelen.

Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer met veel bier en met patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

Verdomme.

Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren, en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik besteld heb. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende studentenkamer en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer heeft gekieperd en mee naar Rome heeft genomen. Want helaas heeft ze geen waspoeder en geen schone kleren meer, en daarbij is ze uitgehongerd en brak. Ik kan haar wel zoenen.

Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken samen onder een dekentje naar Netflix, gaan uit eten in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

Het enige minpuntje is het afscheid.

Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen: het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nog een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

Verdomme.

Snuffelbezoek

Vanaf de benedenverdieping klinkt een oorlogskreet, er wordt flink gevochten bij Mario Bros Super Smash. Het huis ruikt naar aftershave en deo. Drie paar jongensschoenen staan naast de schoenenmand, overal liggen opladers van telefoons en het voedsel is niet aan te slepen. Lars is hier, met neef Steef en vriend Iggy.

Ik glimlach en pak mijn tuinschaartje. Buiten is het knisperend weer, met blauwe lucht en net warm genoeg om zonder jas te zijn. Ik stap op een trapje en knip de citroenen uit de boom. Ze zijn eindelijk geel, na maandenlang voor limoen te hebben gespeeld. Zo vaak heb ik aan ze getwijfeld, gedacht dat ze nooit zouden rijpen. En nu pluk ik de vruchten en verbaas ik me over de bedwelmend zoete geur, telkens weer als ik er één losknip. Ik kan niet stoppen met aan ze te snuffelen.

Dat ze hun hele schooltijd zouden blijven huilen als ik ze in de klas achterliet. Dat ze voor altijd dat speentje zouden houden. Dat ze nooit door zouden slapen. Dat deze griep nooit over zou gaan. Dat de eerste kus nooit zou komen. Dat die opstandige puber nooit meer lief tegen me zou doen.

Het schreeuwen en de Mario-geluiden stoppen. Ze gaan op eigen houtje douchen, pakken de huispuber bij haar lurven en stappen met z’n vieren op de trein. Vandaag staat het Vaticaan op het programma. ’s Avonds treffen we ze op de Piazza Navona, om met z’n allen een hapje te eten. Ze hebben een roos voor me gekocht en ik smelt. Tijdens het eten kijk ik naar ze en geloof nog steeds mijn ogen niet. Wat een geweldige kerels. Stuk voor stuk.

En als ze dan zelf hebben ingecheckt, zelf hun tassen hebben ingepakt, op eigen initiatief de logeerkamers netjes hebben achtergelaten, en uit de auto stappen om hun eigen zaakjes weer te gaan regelen in hun eigen huizen, omarm ik ze nog een keer. Ik ruik de zoete geur van schone, sterke jongens en moet mezelf dwingen niet even te snuffelen.

Sterk spul hoor, die citroenen.

Drama Queen

Ik kan heel dramatisch lijden.

Het is juli 2002 en ik ben al acht uur bezig met het op de wereld zetten van een kind. Het is m’n derde, dus ik heb ervaring. Ik weet dat de pijn vanaf nu alleen maar erger wordt en ik zet mijn hakken in het zand, of in dit geval, mijn bekken in het bed. Ik weiger. Ik doe het niet, laat dat kind maar lekker zitten, zij en ik hebben het hartstikke gezellig samen. Ik roep, ik huil, ik drein en dreig.

Het is november 2016 en mijn scriptie moet af. Ik vind het verschrikkelijk. Wat een bevalling. Mijn gezin lijdt onder mijn korte lontje, niks is goed, ik klaag en ben boos. Mijn laptop woont al drie weken tussen broodkruimels, haarelastiekjes, een zonnebril, koffiekopjes en heel veel vellen met warrige aantekeningen. Ik wil niet meer. Ik wil dat iemand anders het voor me doet. Ik mis het schrijven aan mijn boek, het werken aan mijn tekeningen.

En dan, na dagen puzzelen, ik doe nog een laatste poging om met een ingewikkelde formule een grafiek op mijn scherm te toveren, gebeurt er een wonder. Ik typ wat getallen in, sla met mijn vuist op enter en BAM: het lukt! Ik juich, veeg de broodkruimels van mijn kin en ren uit pure opluchting een heel rondje tuin.

Hamburgerverkoper

Als ik ’s avonds over het kerkhof loop, waar doorzichtige geestverschijningen en scheve grafzerken in een witte mist staan, loopt het skelet naast me bijna net zo blij te zijn als ik. Haar zwartgeschminkte ogen speuren naar haar vriendinnen. Ik speur naar de hamburgers, want ik ben vrijwillige hamburgerverkoper op dit Halloween-schoolfeest. Op het basketbalveld brandt een vreugdevuur en bij de barbecue staan inmiddels lange wachtrijen. Ik trek mijn plastic handschoenen aan en gooi grappend en grollend de lappen vlees op de koude broodjes.

Als mijn dienst erop zit, ga ik op het veld naast de vader van mijn kinderen staan. Het vuurwerk begint. Morgen weer een lange ploeterdag. Ik ga het echt wel doen hoor, met drama en alles erbij. En dat geeft niks. Ik houd me vast aan de andere keren. Toen heb ik immers dramatisch lijdend drie meesterwerken op de wereld gezet. Mijn kruimeltjes.

Als het lente wordt

Pikdonker is het, als ik nog even de veranda op stap. Ik zie alleen de houten tuinbank met het lichtblauwe kussentje erop en daarachter is alles zwart. Ik gris mijn iPad van de bank en probeer niet te snel naar binnen te rennen. Toch trillen m’n handen een beetje als ik de deur weer op slot draai.

Lente

Het wordt alweer vroeg donker en het overvalt me. Overdag is het hier nog heerlijk. Als ik ’s morgens in de tuin zit, mijn laptop op schoot en de koffie warm, lijkt het wel lente. Tropische vogels zingen dat ze nog lang niet naar huis gaan en tropische bloemen vallen hen bij in de struiken die groener en groener worden. Het regent vaker, maar er is ook nog veel zon. Je ziet de natuur ontspannen, nu de hete, dorre periode voorbij is.

Net als Sophie. Ik hoor haar heel hard zingen boven, terwijl ze met twee vingers in haar neus en acht op het toetsenbord een paar Engelse essays uit haar mouw tovert. Ze heeft haar sportkleding nog aan, want met rood hoofd en stralende ogen is ze zo van het hockeyveld in mijn auto gesprongen. Na twee jaar in het donker is ze van de ene op de andere dag weer in de zon gaan staan. En ze bloeit en bloeit zo schaamteloos dat m’n ogen ervan prikken.

Ik trek de gordijnen dicht en steek wat kaarsjes aan. De hond draait zich verstoord om in haar warme deken en gaat nog wat harder snurken. Ik open mijn boek en zijg in een stoel en weet niet meer waar ik eigenlijk bang voor was.

Het is lente, binnen en buiten.

Wat er gebeurt als je moeder op bezoek komt

‘Heb je geen wisser? Dan zeem ik je raam even.’

Mijn moesje is hier. Ze scharrelt wat rond in mijn Italiaanse huis en tuin. Ze vindt het niet makkelijk om niets te doen, om zich te laten verzorgen, want mijn moeder zorgt altijd voor anderen. Natuurlijk nemen we haar mee uit eten, laten we haar Rome zien en verzorgen we bed en ontbijt. En dan wil ze toch nog even de ramen doen.

Drieëntachtig is ze. Je zou het niet zeggen als je haar ziet lopen. Zachtblond kapsel, slank postuur en altijd leuke kleding aan. Ze rijdt heel Delft rond in haar groene Toyota, waarmee ze een paar keer per week haar 7-jarige achterkleinzoon van school haalt. Die neemt ze dan mee naar haar brandschone, lichte appartement en voert hem bruine boterhammen en Hollandse bloemkool. Ze doet het schijnbaar moeiteloos.

Vrijdag gingen we Rome in, samen. Ik liet haar Vaticaanstad zien, en de bruggen over de Tiber. We aten pizza op een schattig terrasje en liepen door de oude kunstenaarswijk weer terug naar af. Volgens mijn stappenteller liep ze 9300 stappen over de hobbelige kasseien.

Moeiteloos.

Vandaag gaat ze weer terug, naar haar appartement en haar televisie en haar schone ramen. Ze zal meteen keurig de post sorteren, de was uit de koffer trekken en een doekje over het stof halen. En als ze in de spiegel kijkt zal ze een piepklein kleurtje op haar wangen zien. We hebben haar namelijk in het zonnetje gezet. En dat was niet moeiteloos.

Net als het vies houden van dat ene raam.